Kicken op pk's zonder kreukelzone

Alsof het glimmende monster ieder moment van zich af kan bijten loopt het oudere echtpaar om de motor heen. Met een aan verering grenzend ontzag streelt hij het chroom. Een Moto Guzzi 1100. Hij bekijkt de kilometerstand en monstert de enorme tank en cilinders. Hij schudt zijn hoofd bij het prijskaartje: 30.000 gulden. Dan trekt zij hem mee. “Droom maar lekker verder”, zegt ze.

Tijdens het begin van de Nationale Motorweek op Nationaal Sportcentrum Papendal konden liefhebbers zaterdag hun hart ophalen aan de prijsdiertjes van de motorindustrie. In rijen trokken de kijkers goedkeurend langs de glimmende en grommende cc's en pk's. Zoals gewoonlijk beperkte de trek zich niet alleen tot de showrooms van de importeurs, maar kregen ook de parkeerplaatsen met de motoren van de bezoekers uitgebreide aandacht.

Motorrijden is in Nederland de laatste jaren ongekend populair. Er zijn 1,1 miljoen Nederlanders die een motorrijbewijs hebben, de rijscholen kunnen de vraag nauwelijks aan en het aantal verkochte motoren stijgt voortdurend. In 1980 waren er in Nederland 108.000 motoren op de weg, vorig jaar al 275.000.

Het aantal ongelukken met motoren nam ook flink toe. Want een motorrijder mag dan een ongekend gevoel van 'vrijheid' hebben, als verkeersdeelnemer lijkt hij vogelvrij. Het aantal verkeersdoden onder motorrijders (vorig jaar 900) ligt relatief beduidend hoger dan dat van automobilisten.

“Een motor heeft geen kreukelzone, hè, het is direct raak”, zegt de 54-jarige rij-instructeur P. de Goede. Hij kocht 36 jaar geleden zijn eerste motor. Een 125 cc Sparta, herinnert hij zich met enige weemoed. Tegenwoordig berijdt hij een 'zware fiets'. De Goede is één van de 140 motorveiligheidsinstructeurs van de Nederlandse Vereniging voor Verhoogde Motorrijvaardigheid (NVVM). De meeste andere NVVM-instructeurs zijn ook dagelijks op de weg te vinden. Het zijn vooral motoragenten, wat de korte koppies en de snorren verklaart. Voor hun hobby hebben ze de logge BMW's vaak ingeruild voor snelle wendbare Japanners. Een enkeling kickt op een echte Harley. Liefhebbers dus.

Er is gelukkig veel animo voor de cursussen. Maar, zo geeft De Goede toe, “natuurlijk zie je vaak de jongens die je echt wilt bereiken niet verschijnen.” Hij betreurt het dat dat soort motorrijders het imago van de nette rijder besmeurt. Ze willen te snel op te zware motoren en hebben lak aan andere weggebruikers. “Maar echt, 95 procent van de motorrijders zijn keurige jongens.”

De gemiddelde Nederlandse motorrijder is 34 jaar. Vooral de laatste jaren zijn de 'plezier-rijders' toegestroomd, zo'n 80 procent beschikt ook over een auto. De Soestenaar B. Lenarduzzi (32) beantwoordt redelijk aan het profiel. Hij gebruikt de motor niet voor woon-werkverkeer. Hij rijdt voor de “kick van de pk's. Snel weg zijn bij stoplichten, even lekker optrekken.”

Volgens de statistieken zijn het vooral jonge onervaren motorrijders die ongelukken maken. Ze zijn op Papendal in groten getale aanwezig. De 25-jarige Leo uit Zeeland bijvoorbeeld, die 'even' langs kwam op zijn Ducati 900. Hij heeft wel eens een “schuiver gemaakt” omdat hij “een beetje te hard reed”. Een extra rijvaardigheidscursus heeft hij nog niet gedaan. “Ik ben het van plan, maar stel het steeds uit.”

D. Nanninga uit Nunspeet heeft ook al heel wat ongelukjes met zijn motor gehad. Maar dat was vroeger. “Ik rij nu dertig jaar en de laatste twintig heb ik niks meer gehad. Die eerste tien zijn je wilde jaren, het is de jongigheid hè.”

Harald Lankman heeft nog nooit een ongeluk gehad. Maar hij is dan ook waarschijnlijk de jongste coureur op Papendal. In een leren motorpak zit zevenjarige Harald op zijn 125 cc minimotortje en geeft nog eens gas. “Weet je hoe hard-ie kan? Wel 75 kilometer per uur”, pocht hij. Zijn vriendjes op school zijn stinkjaloers en z'n vader is trots op 'm. Moeder Lankman kijkt het lachend aan. Zelf rijdt ze niet. Heeft ze nooit angst dat haar man en later ook haar zoon eens flink onderuitgaan.? “Jazeker wel, ik wil altijd weten hoe laat hij thuiskomt. Dan weet ik wanneer ik me zorgen moet gaan maken.”

    • Frank Poorthuis