Een Brits probleem

IN HET SLEPENDE DEBAT over de stemprocedure in de Raad van Ministers van de Europese Unie is Groot-Brittannië geïsoleerd geraakt. Toen Spanje dit weekeinde bereid bleek een compromisvoorstel te aanvaarden kwamen de Britten alleen te staan. Wil premier Major de voortgang in de Unie en de uitbreiding van het gezelschap van twaalf tot zestien lidstaten niet totaal blokkeren dan zal hij zijn achterban in de komende 24 uur ervan moeten overtuigen dat het moment van zakendoen is aangebroken.

Het voorgestelde compromis laat overigens nog voldoende vragen open. Weliswaar wordt de blokkerende minderheid in de Raad met het oog op de uitbreiding en volgens plan verhoogd van 23 tot 27 stemmen, maar er is voorzien in de eventualiteit van een opschortende bijzondere situatie. Indien een minderheid van 23 tot 26 stemmen zich tegen een bepaald voorstel uitspreekt ontstaat een “fase van intensieve onderhandelingen” - waarmee gezegd wil zijn dat de meerderheid wordt gedwongen nog eens goed naar de minderheid te luisteren. Ofwel dat de minderheid in de gelegenheid wordt gesteld zich met kracht van argumenten uit te breiden tot een blok van 27 stemmen. Wat de Britten steekt, is dat bedoelde bijzondere fase met een gewone meerderheid kan worden beëindigd. Wat de anderen zorg mag baren is de kans op een aanzienlijk moeilijker wordende besluitvorming.

IN DE PRAKTIJK zou inwilliging van de oorspronkelijke Britse eisen hebben betekend dat dwarsliggende grote landen gemakkelijker blokkerende coalities kunnen vormen. Nu hoeft de hele kwestie op zichzelf niet te worden overdreven: de voorgestelde verruiming van de blokkerende minderheid verhoogt daarentegen het bovennationale element rekenkundig met nog geen drie procent. Dat wil zeggen, een Britse nederlaag betekent dat er een kleine drie procent meer federalisme komt op dat beperkte terrein van communautaire bevoegdheden.

Maar de symbolische betekenis is veel groter: de Britten wordt met die ingreep duidelijk gemaakt dat zij buiten de waard hebben gerekend, als zij de uitbreiding van de Unie hebben willen aangrijpen om de samenhang te verwateren. De Tien hebben onderstreept dat uitbreidingen daartoe niet dienen. Dat is een heldere boodschap voor het geval in Londen eventuele aansluiting later van Oosteuropese en mediterrane staten in dat licht is beschouwd.

De blokkerende minderheid is op zichzelf een teken dat de Unie een bovennationaal karakter heeft. Zij is immers in de plaats gekomen van de unanimiteitsregel. Verhoudingsgewijs vasthouden aan die minderheid is dus geen uiting van machtswellust van een manipulerende meerderheid tegenover een voor zijn rechten vechtende minderheid. Het is een bevestiging van de vaste overtuiging dat de Unie meer is dan een verbond van soevereine staten die ieder moment hun verplichtingen ten opzichte van het geheel kunnen opzeggen. De Britten wisten tot welke vereniging zij destijds toetraden. Als zij daar spijt van hebben, is dat in de eerste plaats hun probleem.