Twijfels in HCS-zaak ondermijnen strijd tegen beursfraude

AMSTERDAM, 26 MAART. Na een drie dagen durend HCS-proces rest bij de toeschouwers de vraag of het openbaar ministerie de eerste grote voorkenniszaak in Nederland tot een succesvol einde - een veroordeling van de verdachten - zal brengen. Duidelijk is dat de verdediging erin is geslaagd de twijfel te vergroten over de vraag of de ondernemers Joep van den Nieuwenhuyzen, Leon Melchior en Eric Albada Jelgersma zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van voorwetenschap.

Het openbaar ministerie in Amsterdam eist voor 'hoofdverdachte' Van den Nieuwenhuyzen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een boete van 200.000 gulden. De HCS-zaak moet een doorbraak worden in de bestrijding van misbruik van voorkennis, een waterscheiding als de grote insider trading-zaken in de VS eind jaren tachtig. Maar bij de geruchtmakende processen tegen figuren als Michael Milken, Ivan Boesky en Dennis B. Levine was de misbruik van wetenschap helder. Deze lieden beschikten dankzij informanten over geheime informatie dat bedrijven werden overgenomen. Zij kochten vóór het publiek maken van de overname aandelen van de overnamekandidaat en incasseerden gigantische koerswinsten. Milken verdween voor enkele jaren achter de tralies en betaalde een boete van 600 miljoen dollar.

In de eerste grote Nederlandse voorkenniszaak ligt dat allemaal een stuk minder duidelijk, zo bleek tijdens de zittingen. Iedereen, ook de verdachten zelf, erkent dat in de HCS-zaak in ieder geval sprake is van niet strafbare 'koersorkestratie', het kunstmatig beïnvloeden van de koers van een aandeel. Alleen de verrassende tweede voorkenniszaak die afgelopen week tegen Van den Nieuwenhuyzen is doorgezet (handel in aandelen van zijn eigen bedrijf Begemann voorafgaand aan de overname van scheepswerf RDM) lijkt op de Angelsaksische precedenten.

De strijd tussen verdediging en openbaar ministerie in het HCS-proces spitst zich toe op de vraag of de belangrijkste ingrediënten van misbruik van voorwetenschap hier van toepassing zijn: geheime informatie en direct financieel voordeel.

Op de avond van 30 juli 1991 stelden grootaandeelhouders en banken een reddingsplan vast voor de noodlijdende automatiseerder HCS: een kapitaalinjectie van 127,5 miljoen gulden, waarvan de grootaandeelhouders via een aandelenemissie 50 miljoen voor hun rekening namen. Die koersgevoelige informatie werd de volgende dag openbaar gemaakt met een persbericht. Maar volgens het openbaar ministerie waren op die bewuste avond ook nog een aantal andere koersgevoelige besluiten genomen, die niet in het persbericht stonden: de emissiekoers mocht maximaal twee gulden zijn en vrijdag 2 augustus zouden besluiten worden genomen over de wijze van emissie (openbaar of onderhands) en emissiekoers.

Vast staat dat Joep van den Nieuwenhuyzen de volgende ochtend 4,1 miljoen aandelen HCS verkocht, wat volgens de officier zou zijn ingegeven door de - in het persbericht verzwegen - informatie. De drie zouden hierdoor op termijn een financieel voordeel van tientallen miljoenen guldens hebben, omdat zij dankzij de lagere koers meer nieuw uit te geven aandelen HCS konden verwerven: een zuiver geval van voorwetenschap, volgens officier van justitie mr. W. van Nierop.

Onzin, stelt de verdediging van de verdachten, er is helemaal geen sprake van financieel voordeel. Integendeel, door de massale verkopen werden de verliezen van de drie alleen maar groter. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat van Albada Jelgersma, wees erop dat Van den Nieuwenhuyzen in tegenstelling tot een echte insider trader niet kon voorspellen in welke richting de koers van het aandeel zich zou bewegen. Van den Nieuwenhuyzen vreesde juist met het oog op de emissiekoers een koersstijging en verkocht aandelen om de koers te drukken. Hij beïnvloedde de koers van het aandeel in de door hem gewenste richting en dat is koersorkestratie, betoogde Doorenbos.

Bij misbruik van voorwetenschap daarentegen anticipeert de insider op de te verwachten koersontwikkeling, doceerde Doorenbos, die in 1992 een invloedrijk proefschrift Financieel Strafrecht schreef. Wanneer de insider voorwetenschap heeft die goed nieuws inhoudt voor het aandeel (zoals een overname) zal hij kopen. Officier van justitie Van Nierop hield echter in zijn repliek vol dat voor misbruik van voorwetenschap niet noodzakelijk is dat de insider een idee heeft van het toekomstige koersverloop. Van den Nieuwenhuyzen beschikte volgens hem over informatie die “mogelijk tot voordeel” kon strekken en dat was voldoende.

Na deze eerste poging tot ondermijning van het requisitoir van de officier lanceerde de verdediging een aanval op een andere voorwaarde voor misbruik van voorwetenschap: in hoeverre beschikten de drie grootaandeelhouders op 31 juli 1991 over harde informatie waarvoor ze aan een geheimhoudingsplicht gebonden waren?

De raadslieden stelden dat alle concrete en dus koersgevoelige feiten over de bijeenkomst van 30 juli de volgende dag openbaar waren gemaakt. Volgens het openbaar ministerie waren ook afspraken gemaakt over de emissiekoers - niet hoger dan twee gulden - en het beslissingsmoment over het soort emissie (openbaar of ondershands) - op vrijdag 2 augustus. Uit de waaier van verklaringen van betrokkenen blijkt dat er over die “afspraken” tussen de partijen geen eenduidigheid bestond, zo toonde de verdediging aan. Van geheime, of koersgevoelige informatie kon dus geen sprake zijn. Laat staan dat hiervoor een geheimhoudingsplicht bestond.

Ook hier rekte de officier het begrip misbruik van voorwetenschap verder op. In zijn repliek liet Van Nierop weten dat “een voornemen, een plan ook voorwetenschap is”. Niet noodzakelijk is dat er een geheimhoudingsplicht geldt, de verdachten hadden volgens het OM “redelijkerwijs” moeten vermoeden dat het ging om koersgevoelige informatie.

Met zijn beslissing om juist deze voorkenniszaak voor de rechter te brengen, laat Van Nierop zien dat het openbaar ministerie effectenhandel met voorkennis vijf jaar na de wettelijke strafbaarstelling serieus neemt. Het proces past tevens in de afrekening van de regelgevers op beurs en banken met de normloze jaren tachtig, waarin steeds meer uitwassen in effectenhandel aan het licht kwamen. Sinsdien zijn, mede naar aanleiding van de HCS-affaire en andere misdragingen op de beurs (medewerkers oude NMB; Gasunie-pensioenfonds), regels aangescherpt. Zonder een afschrikkende pakkans en vervelende sancties na veroordeling blijven regels echter dode letters.

Voor beleggers die algemene bekendheid genieten, zoals de drie verdachte ondernemers in de HCS-zaak, zal het proces en de omvangrijke publiciteit op zich al een waarschuwing zijn. De keerzijde van de médaille is dat het HCS-proces zo gecompliceerd is en zo a-typisch voor handel met voorkennis, dat een verlies voor het Openbaar Ministerie de strijd tegen de (volgens Van den Nieuwenhuyzen welig tierende) alledaagse beursfraude alleen maar zal frustreren.

    • Paul Wessels