Tariefafspraken notarissen weldra weg; Kabinet weigert ontheffing wet op mededinging te verlenen

ROTTERDAM, 26 MAART. Met de (geleidelijke) beëindiging van de onderlinge tariefafspraken van notarissen heeft het kabinet een nieuwe stap gezet in het anti-kartelbeleid dat moet leiden tot versterking van de Nederlandse economie. Daarin staat de nieuwe mededingingswet, die vorige maand voor advies is ingediend bij de Sociaal-Economische Raad, centraal. Met deze wet past Nederland zijn regelgeving op kartelgebied aan de eisen van de Europese Commissie aan.

Vooruitlopend op deze nieuwe wet zijn sinds 1 juli vorig jaar 'horizontale prijsafspraken' verboden. Alleen als ze “een bijdrage leveren aan de verbetering van de produktie of de distributie of de technische/economische vooruitgang” komen ze nog in aanmerking voor een ontheffing van het kartelverbod. Ongeveer de helft van de bijna vijftig ingediende verzoeken om ontheffing is inmiddels afgewezen.

Gisteren besloot het kabinet ook de Koninklijke Notariële Broederschap, die de notaristarieven vaststelt, zo'n ontheffing te weigeren. Wel komt er een overgangstermijn van enkele jaren waarin “de tarieven gefaseerd de reële kostprijs zullen gaan benaderen”. Het kabinet vindt het onjuist daarmee te wachten tot de nieuwe Notariswet, die naar verwachting volgende maand wordt ingediend bij het parlement en niet voor 1996 van kracht wordt.

Het kabinet voelt zich bij deze aanpak gesterkt door de uitkomsten van een onderzoek dat accountantsorganisatie KPMG verrichtte naar de tarieven van de notarissen. Dat onderzoek, in opdracht van de ministeries van economische zaken en justitie, is tot stand gekomen in overleg met de Notariële Broederschap.

Uit het onderzoekrapport komt naar voren dat de 1.150 notarissen in Nederland (werkzaam bij 768 kantoren) per jaar een omzet van ongeveer een miljard gulden hebben aan notariële akten. De totale winst bedraagt 359 miljoen gulden of wel zo'n 300.000 gulden per notaris. Deze winst komt bovenop een toegekend salaris voor de notaris van 190.000 gulden.

Onderscheid wordt gemaakt tussen de familiepraktijk en de onroerend goedpraktijk. Binnen deze laatste praktijk worden, na aftrek van alle kosten (honoraria, personeel, huisvesting, opleiding) “substantiële winsten” gemaakt van in totaal ongeveer 300 miljoen gulden of wel meer dan 250.000 gulden per notaris. Zo brengen zij bij voorbeeld gemiddeld 2.483 gulden in rekening voor overdracht van onroerend goed en het vestigen van een hypotheek, terwijl de totale kosten daarvan gemiddeld 1.325 gulden belopen.

De notarissen motiveren deze ruime marge altijd onder verwijzing naar 'verliezen' die zij in de familiepraktijk zouden lijden ('kruissubsidiëring'). Maar met dat argument maakt het KPMG-rapport korte metten. Weliswaar overtreffen binnen de familiepraktijk de 'kosten' bij samenlevingscontracten, huwelijksvoorwaarden en testamenten de 'opbrengsten', maar als geheel blijkt de familiepraktijk winstgevend, zeker wanneer deze activiteiten efficiënt, dat wil zeggen met behulp van moderne tekstverwerkende apparatuur, worden verricht. De familiepraktijk blijkt per saldo goed voor een winst van 25 miljoen gulden of wel ruim 20.000 gulden per notaris.

De Koninklijke Notariële Broederschap hekelde gisteren het kabinetsvoornemen. Volgens voorzitter mr. K.E.J. Dijk had het voor de hand gelegen de notaristarieven tegelijk met de nieuwe Notariswet aan te passen. Ook kritiseerde hij de betrouwbaarheid van het KPMG-rapport, dat is gebaseerd op 'tijdschrijven' gedurende de maanden november en december. “Dat is net zoiets als met Sinterklaas aan de kassa gaan staan om de omzet te meten.”

Daarentegen spreken de Consumentenbond en de Vereniging Eigen Huis van “een stap in de goede richting”. Het onderzoek toont volgens beide organisaties aan dat de notaristarieven voor de onroerend goedpraktijk “schrikbarend hoog zijn en met de helft omlaag kunnen”. Ze dringen er bij het kabinet op aan snel een tariefsverlaging af te dwingen.