STADIONS

Tijs Tummers: Architectuur aan de zijlijn. Stadions en tribunes in Nederland

143 blz., geïll., D'ARTS 1993, ƒ 39,50

Het Ajax-gevoel heeft ook te maken met het stadion De Meer, vertelde ex-Ajacied Jan Wouters onlangs in een vraaggesprek in Elsevier. “De noppen krijgen daar in de catacomben een andere klank”, zei hij er ter toelichting bij. Hoe het zal gaan met het noppengeluid en dus met het Ajax-gevoel in het nieuw te bouwen Stadion Amsterdam is onzeker. Maar vast staat wel, zo blijkt uit Tijs Tummers' boek Architectuur aan de zijlijn. Stadions en tribunes in Nederland, dat Ajax er een van de meeste geavanceerde stadions in Europa mee zal krijgen.

Ironisch genoeg gaat dit eerste Europese stadion met schuifdak ten koste van een andere mijlpaal in de stadionarchitectuurgeschiedenis die uitgebreid wordt behandeld in Achitectuur aan de zijlijn: het Olympisch Stadion uit 1928, de eerste Olympische arena die niet was ontworpen in een historiserende stijl. Architect Jan Wils koos voor een zakelijke binnenkant die hij voorzag van een Amsterdamse-Schoolachtig, bakstenen exterieur. Het Olympisch Stadion staat niet op zichzelf, maar dateert uit een tijd dat Nederland behoorde tot de avant-garde in de stadionbouw. Acht jaar na de oplevering bouwden Brinkman en Van der Vlugt, beroemd geworden door de Van Nellefabriek, het Feyenoordstadion, dat veel meer nog dan het Olympisch Stadion in het teken stond van het Nieuwe Bouwen. Het was het eerste stadion met een doorlopende tweede ring zitplaatsen en was lange tijd een lichtend voorbeeld in de stadionarchitectuur.

Tijs Tummers heeft zich in zijn boek niet beperkt tot grote Nederlandse stadions. Hij behandelt ook de kleinere, zoals het Goffertstadion in Nijmegen en natuurlijk De Meer, en wijdt ook een hoofdstuk aan de prachtige luifeltribunes van de firma Elascon, die waren gebaseerd op het parachuteprincipe. Bovendien geeft hij een kort overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de moderne stadions en laat hij ten slotte zien in welke richting de huidige Nederlandse stadionbouw zich beweegt na de periode van verval, die van 1945 tot 1982 duurde. Hij doet dat steeds op een enthousiaste en aanstekelijke manier. Soms maakt hij zich zelfs oprecht kwaad. Zo veegt hij de vloer aan met het advies van architectuurprofessor Manfred Bock over de plaatsing van het Olympisch Stadion op de Rijksmonumenten, waarin de latere, lompe betonnen toevoeging aan het stadion ten onrechte wordt vergeleken met het sierlijke Stadio Comunale (1929-32) in Florence van Pier Luigi Nervi. Anderzijds krijgen ook degenen een veeg uit de pan die nu pas treuren over de teloorgang van het Olympisch Stadion, maar er het zwijgen toe deden toen het langzaam maar zeker door gebrek aan onderhoud verviel tot een bouwval.

Tummers heeft zijn boek doorspekt met allerlei mooie anekdotes en details. Hij wijst bijvoorbeeld op de vreemde spreuk van Cruijffiaanse allure die is aangebracht in de glas-in-lood-ramen van de kantine van het huidige Ajax-stadion: 'Wie weet het. Niemand weet het.' Het zijn dit soort memorabele toevoegingen die Architectuur aan de zijlijn meer maken dan de bij mijn weten eerste geschiedschrijving van de Nederlandse stadionbouw.

    • Bernard Hulsman