Spanje; In Spanje borrelt elke week wel een schandaal op

MADRID, 26 MAART. Hoeveel schandalen kan een rechtsstaat hebben zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen? Wekelijks borrelt er in Spanje wel een schandaal op - politiek of zakelijk of een combinatie daarvan. De frequentie aan fraudes, omkopingen en grootschalig wanbeheer is dermate opgelopen dat het land ten prooi lijkt aan een verlamming.

Deze week werd bekend dat Nicolás Redondo, algemeen secretaris van de machtige vakbond UGT, in juni voor de rechter moet verschijnen. Redondo is aangemerkt als verdachte bij het miljoenenfaillissement van de aan de vakbond gelieerde woningbouwcoöperatie PSV. De kwestie is niet van tragiek ontbloot: in de eerste plaats zijn er de duizenden kleine huizenbezitters, wier bezit onder de hamer dreigt te raken. En dan is er Redondo zelf, die na een leven van offers voor de vakbond en het socialisme op het punt staat met pensioen te gaan.

Misschien omdat de zaak al langer speelt, trok de officiële beschuldiging maar matig de aandacht. Leuker is natuurlijk een vers schandaal, zoals de onthulling kort hiervoor in het dagblad El Mundo dat de regeringspartij PSOE 1,2 miljard peseta's (17 miljoen gulden) aan kredieten heeft opgenomen bij de Spaanse bank Banesto. Daar is niets mis mee, ware het niet dat in de administratie van Banesto viel te lezen dat de lening als een oninbaar risico beschouwd diende te worden. Het geld zou, kortom, nooit meer terugbetaald worden.

Dat riekte naar een verkapte storting in de kas van de PSOE. De socialisten, amechtig bijkomend van de ruzies op het 33ste partijcongres van vorig weekeinde, haastten zich te verklaren dat de schuld tot de laatste peseta terugbetaald zal worden. Door omstandigheden was het er helaas de afgelopen negen jaar niet van gekomen. “We hebben veel bankschulden, maar niemand heeft ons ook maar iets kwijtgescholden”, verklaarde vice-secretaris Alfonso Guerra. Zelf wist hij temidden van de partijruzies zijn positie te behouden, nadat zijn broer Juan Guerra de verdenking op zich laadde de politieke familiebanden te hebben benut voor zakelijke transacties.

De kwestie met de leningen is vooral pikant omdat Banesto zelf weer het onderwerp is van een schandaal dat sinds eind vorig jaar speelt. In november plaatste de centrale bank Banesto onder curatele, nadat onder leiding van de flamboyante Mario Conde de bank een miljardentekort op de balans bleek te hebben. Vandaag komen de aandeelhouders van de bank bijeen om hun wonden te likken.

Tegen Conde, tegen wie de verdenking bestaat dat hij zich heeft verrijkt ten koste van de bank, zijn nog geen strafrechtelijke stappen ondernomen. Dat geeft weer stof tot speculaties over de mogelijke wetenschap die de voormalige bankman heeft over de politieke elite. En wie geneigd is in complotten te denken - een bijna onvermijdelijke vorm van paranoia in het Spaanse politiek-zakelijke klimaat - kijkt er niet van op dat er plotseling strookjes uit de debiteuren-administratie van Banesto in de pers opduiken waaruit blijkt dat de regeringspartij haar schulden niet afbetaalt.

En zo ging het de afgelopen maanden maar door. De Spaanse justitie onderzoekt op dit moment de kwestie rond de Koeweitse investeringsmaatschappij KIO die ervan wordt verdacht een bedrag van 300 miljoen dollar te hebben betaald aan Spaanse politici en andere “tussenpersonen”. Het geld zou voornamelijk bedoeld zijn om de steun te verwerven in de oorlog tegen Irak in 1990. Rumoer is er ook rond de “fondos reservados”, een geheim potje van het ministerie van binnenlandse zaken waarmee hoge politie-ambtenaren als Luis Roldán een extra aanvulling op hun salaris genoten. Een kwestie die eveneens de inmiddels afgetreden minister José Luis Corcuera in diskrediet heeft gebracht. In de politionele sfeer is er eveneens een aantal afluisterschandalen, waar de militaire inlichtingendienst Cesid bij betrokken is.

Het is slechts een greep uit de lijst. Onderzoeksrechter Marino Barbero van het Spaanse Hooggerechtshof trok begin deze maand aan de alarmbel. De Spaanse politieke macht is dermate verziekt en corrupt dat uitsluitend justitieel ingrijpen nog enige hoop biedt op een democratische correctie, aldus Barbero. Zelf is hij betrokken bij het onderzoek naar Filesa, een houdstermaatschappij die betrokken is bij het mogelijk doorsluizen van steekpenningen naar de regerende PSOE.

Menig ander regerend politicus zou reeds lang bezweken zijn onder de stortvloed van verdachtmakingen, vermeende samenzweringen en andere onrust. Zo niet Felipe González, de nummer een van de regerende PSOE en al twaalf jaar premier. Zoals gebruikelijk liet González lang niets van zich horen, als golden de schandalen een ver en onbekend buitenland. Maar nadat rechter Barbero met zijn uitspraken kwam, verklaarde de premier dat ook hij niets anders wilde dan dat zijn partij wat doorzichtiger werd wat betreft haar functioneren en financiering. “Wie een delict pleegt, corruptie inbegrepen, zal er uiteindelijk voor moeten boeten”, aldus González. Als de premier gelijk heeft, gaat de Spaanse politiek spannende tijden tegemoet.