Over stad en stedelijkheid

J. Burgers, T. Kreukels, M. Mentzel, redactie: Stedelijk Nederland in de jaren negentig: sociaal-wetenschappelijke opstellen 155 blz., geïll., Van Arkel 1993, ƒ 25,-

In het voorwoord van deze bundel, het resultaat van een congres, spreekt de redactie enigszins opgewonden uit dat dit een weerslag is van een vernieuwde betrokkenheid en inzet in stedelijke economie, cultuur, openbare ruimte en voorzieningen. Of er werkelijk zoveel nieuws geboden wordt staat te bezien; in elk geval wordt er veel oud theoretisch gedachtengoed over stad en stedelijkheid naar voren gehaald. Buitenlandse literatuur komt overvloedig aan de orde, maar in een groot aantal van de bijdragen blijft veel van wat in de afgelopen decennia door Nederlandse onderzoekers is gepresteerd onderbelicht.

In een nogal ontoegankelijk geschreven bijdrage geeft de Utrechtse hoogleraar in de planologie, Ton Kreukels, een positiebepaling van het stedelijke in de jaren negentig. Hij pleit daarin voor een grotere beleidsruimte voor de grootstedelijke gebieden. Evenals elders in de bundel komt hierbij ook de gevoelige verhouding tussen staat, lokale overheid en individuele burger aan de orde.

Bert Kruijt en Paul Drewe, hoogleraren respectievelijk in Amsterdam en Delft, kijken vooral naar de economische kant van de problematiek en in het bijzonder naar de harde kern van de werkloosheid in het centrum van de steden. De auteurs bepleiten een Zweeds model om die werkloosheid aan te pakken, wat neerkomt op meer aandacht voor scholing en werk. Professor Jan den Draak (Delft) sluit hierop aan door de functie van de stedelijke economie aan de orde te stellen inzake de verschuivingen in de sociaal-culturele voorzieningen en door te bezien in hoeverre voor een voortschrijdende 'zorgarmoede' moet worden gevreesd. Trefwoorden zijn hier vergrijzing, draagvlak, leefstijlen van huishoudens en etnische minderheden. Aantrekkelijk is de ruime verwijzing naar recente Nederlandse literatuur in deze beide bijdragen.

De Amsterdamse hoogleraar sociologie, Lodewijk Brunt, sluit aan bij de sociologisch/antropologische interesse voor de stad. Hij zet de 'taal' van het openbare leven in een door hem onlangs bezochte Westafrikaanse stad af tegen de omgangsvormen in westerse steden. Bij nader inzien, zo concludeert hij, zijn de omgangsvormen in Bouaké (Ivoorkust) minder afwijkend van die in veel Westerse steden dan ze zich misschien lieten aanzien.

Openbare ruimte

Maarten Mentzel bezint zich in zijn sociologische beschouwing op de waardering van de kwaliteit van de openbare ruimte met in het bijzonder aandacht voor de hedendaagse bedreigingen van het openbare gebied, zoals vervuiling, onveiligheid en miskenning van de wensen van gebruikers. Hij geeft een analyse van de verschuivende betekenis van stedelijke openbaarheid en laat een aantal theorieën de revue passeren over de onderlinge verhouding van openbaarheid en privacy in de stedelijke samenleving. Hij verzuimt melding te maken van studies in Amsterdam en in een aantal andere steden in ons land waarin deze theorieën zijn getoetst. In plaats daarvan laat hij zich meeslepen door modieus post-modernistisch woordgebruik.

Deze lijn wordt doorgetrokken in de bijdrage van Ton Bevers, hoogleraar cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit, over de notie van de stad als kunstwerk. Hij betoogt dat kunst en cultuur steeds meer worden ingezet met economische bedoelingen en van belang worden geacht voor het stedelijke toerisme. De stad is in toenemende mate een carrousel van tentoonstellingen, theaterprodukties, festivals en een plek van georganiseerde cultuur. De stad is niet slechts consumptieartikel, maar ook inspiratiebron voor cultuurorganisatoren. Bij de organisatie van allerlei evenementen ziet men samenwerking tussen kunstwereld, overheid en bedrijfsleven. Dit heeft alles te maken met de aard en positie van een snel groeiende klasse van deskundigen van wie er velen in deze sectoren werkzaam zijn.

Kunst als verzet en kritiek heeft binnen de georganiseerde cultuur veel aan betekenis ingeboet. Cultuur roept tegenwoordig steeds meer associaties op met markt en management, met distinctie en prestige, met recreatie en vermaak. Bevers eindigt zijn beschouwing dan ook met de waarschuwing dat de sferen politiek, cultuur en economie weliswaar in organisatie, beleid, beheer en financiëring steeds dichter bij elkaar komen en om eenzelfde soort deskundigheid vragen, maar daarbij hun eigen doeleinden niet uit het oog mogen verliezen. Voor het laatste hoofdstuk tekent de Utrechtse socioloog Jack Burgers. Hij ontwerpt hierin de contouren van een onderzoeksprogramma aan de hand van de bijdragen van een aantal onderzoekstradities over de stad. Hij doet daarbij onvoldoende recht aan wat Nederlands onderzoek op een aantal thema's, onder meer op het terrein van de stadssociografie, heeft opgeleverd.

Hoewel de verschillende hoofdstukken nuttige informatie verstrekken, schiet het boekje toch tekort. Een actieve redactie had meer zorg moeten dragen om de gereleveerde feiten in een samenhangend verband te brengen.