Oost-Groningen

Graag wil ik reageren op het artikel van Paul Hellmann in Z van 12 maart.

Het gehele Oost-Groninger platteland is het slachtoffer van een agrarische monocultuur die veel langer in stand is gehouden dan nodig was. De gevolgen daarvan zijn verwoestend geweest: voor zover men niet onmiddellijk in de landbouw werkzaam was, bestond er slechts een industrie die een voortbouw was van de agrarische sector. De veenkoloniale kartonindustrie vormt daarvan een goed voorbeeld. Naar de historische achtergronden daarvan behoeft niet te worden verwezen, voldoende zij uw aandacht te vestigen op de politieke gevolgen van die monocultuur. Er heeft in Oost-Groningen een politieke verstening plaats gevonden die uniek is in Nederland en die haar oorzaak vindt in het gegeven dat de streek vanuit een electoraal standpunt bezien de belangstelling van de landelijke politiek verloor. De PvdA wist zich, vooral in de industriële veenkoloniën, verzekerd van een trouwe aanhang, die slechts af en toe gemasseerd behoefde te worden; de (voormalige) communistische partij stortte zich met veel succes op de door haar met graagte benadrukte uitbuiting en de sociale 'Verelendung' die daarvan het gevolg was en die zij (ongewild) daardoor als mythe in stand hield; de liberale en christelijke partijen waren gemarginaliseerd. Terwijl nu de PvdA onder Den Uyl een politieke doorbraak trachtte te forceren in het Zuiden beneden de rivieren, verwaarloosde zij het Noorden en in het bijzonder Oost-Groningen: zij ging de confrontatie met de communistische partij uit de weg, naar alle waarschijnlijkheid omdat niemand het durfde op te nemen tegen de legendarische Fré Meis, wiens oratorische talenten niet in het parlement, maar wel in de streek waarvan hij de taal sprak tot hun recht kwamen. Er zijn talloze, soms wild-fantastische plannen bedacht de streek in de vaart der volkeren op te drukken, zoals het plan om de streek te verrijken met een nieuw (recreatie)meer en het zodoende letterlijk als probleemgebied te doen verdwijnen via het proces van inundatie. De gigantische kapitaalvernietiging die daarvan het begeleidend verschijnsel en de geringe economische 'spin-off' die daarvan het product is, verontrust slechts een enkeling. Het project stemt ook juist daarom tot droefnis en teleurstelling omdat men wederom heeft nagelaten de oplossing voor de problemen in dit gebied te zoeken in een op een gedifferentieerder leest dan voorheen geschoeide industrialisering van Oost-Groningen. Die behoort tot de mogelijkheden en is aanzienlijk realistischer dan een op toerisme gericht project in een omgeving die de Guide Bleu pleegt aan te duiden als 'ingratifiant'. Zij is ook daarom zo veelbelovend omdat Oost-Groningen, met de nodige subsidiëring en gesteund door landelijke politieke belangstelling, in staat moet worden geacht de vruchten te plukken van de opbloeiende Noord-Duitse industrie en handel. Reeds nu is de Hanzestad Hamburg München gepasseerd als het snelst groeiende Duitse handelscentrum. Bezien vanuit dit licht, wekt de politieke commotie rondom de Betuwe-spoorlijn in het gehele Noorden des lands enige verbazing, teleurstelling en wrevel en wel omdat het Noorden zich graag aangesloten zag op de levensader (een supersnelle spoorwegverbinding) die nu bij Amsterdam zal eindigen, maar niet via de polders naar Friesland en Groningen wordt doorgetrokken. De politieke motivering van de afwijzing van dit voorstel confronteerde het gehele Noorden andermaal met het Haagse onbegrip en gebrek aan belangstelling, maar tevens - en dat is erger - met hetgeen niet anders kan worden aangeduid dan als stompzinnigheid: de stelling dat het Noorden geen aantrekkelijk achterland zou vormen dat de daarvoor noodzakelijke investeringen zou rechtvaardigen verraadt een zeldzaam gebrek aan inzicht. Wanneer men immers bedenkt dat die spoorlijn niet bij Groningen behoort te eindigen, maar doorgetrokken dient te worden naar Bremen en Hamburg en daar op het grote, zich in de toekomst zeker explosief ontwikkelende Duitse achterland, dan wordt duidelijk welke een grote mogelijkheden men laat liggen. Met zo een verbinding is ook Oost-Groningen gediend: de streek zal er een der eerste begunstigden van zijn. Laat men hem daarentegen wegzakken in een meer van radeloosheid, onvermogen en gebrek aan productieve en vooral van realiteitszin getuigende creativiteit, dan moet men zich over enige jaren niet verbazen wanneer politieke extremisten grote successen boeken in een streek waarin wrok en achterdocht zo diep geworteld zijn. Ik hoop dat Oost-Groningen dat stigma bespaard blijft: het verdient beter. Ik kan het weten, want ik ben er geboren.