Naschrift

Een historicus die zijn eigen tijd beschrijft zou de eerste druk van zijn werk moeten kunnen overslaan om pas met de door zijn lezers gecorrigeerde versie voor den dag te kunnen komen.

Elke geschiedschrijver die een boek publiceert pleegt immers talloze aanvullingen van lezers te ontvangen met de strekking dat de geschiedenis zich anders heeft toegedragen dan hij heeft beschreven. Dat is ook het probleem van eigentijdse geschiedschrijving: de schrijver wordt op zijn vingers gekeken door talloze getuigen die iets belangrijks hebben gezien dat hij niet heeft gezien of iets wezenlijks hebben meegemaakt dat hij niet heeft meegemaakt.

Richter Roegholt wijst in het Voorwoord van zijn Geschiedenis van Amsterdam op die valstrikken van de nog niet afgestorven geschiedenis, waarvan elke historicus zich bewust is: “de gebeurtenissen van het jongste verleden zijn nog niet bezonken en de hoofdrolspelers staan vaak nog midden in hun carrière”. In zijn vorig jaar bij de Staatsuitgeverij verschenen geschiedenis Amsterdam na 1900 (uitgebreid tot de jaren negentig) is die beduchtheid voor de nog stuiptrekkende geschiedenis vooral in de laatste hoofdstukken goed bespeurbaar. Ik zeg niet dat hij beter van de jaren tachtig had kunnen afblijven, maar er is een duidelijk kwaliteitsverschil. Het laatste deel gaat minder diep dan de rest van het boek.

Roegholt draagt zelf het bewijs aan voor zijn stelling over de onhandelbaarheid van contemporaine geschiedenis in zijn behandeling van de gebeurtenissen op 7 mei 1945 op de Dam, de zwarte bladzijde in de geschiedenis van Amsterdam over een wraakzuchtige Duitse schietpartij die aan 22 mensen het leven kostte en circa 120 gewonden veroorzaakte. Wat Roegholt daarover schrijft is niet onjuist, maar lang niet volledig. Evenmin volledig maar veel uitgebreider is de geschiedenis die Flip Bool en Veronica Hekking een jaar eerder aan de hand van nog niet eerder gepubliceerde fotoreportages over die schietpartij publiceerde (en die kennelijk voor Roegholt te laat kwam). De publikatie van Bool en Hekking (De Dam 7 mei 1945, Focus, Amsterdam) steunt grotendeels op werk en getuigenis van vermaarde fotografen als Carel Blazer, Bert Haanstra, Charles Breijer, Cas Oorthuys, Margeet van Konijnenburg, Krijn Taconis, Wiel van der Randen, Paul Bessem en de amateur-fotograaf W.F. Leijns, die de wereldvermaarde opname van de paniek op de Dam maakte. Bool en Hekking documenteren de schietpartij van het dak en het bordes van de Grote Club op de hoek van de Paleisstraat en de Kalverstraat (waar nu de Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad zetelt) uitvoeriger dan Roegholt, maar zij weten geen antwoord op de vraag of er ook teruggeschoten is. Ja, er is teruggeschoten, en er zijn tenminste zes tot zeven Duitsers onmiddellijk buiten gevecht gesteld. Bool en Hekking beschikken over een foto van een schutter van de BS, maar op die foto is het resultaat van diens actie niet te zien.

Het gedocumenteerde verhaal van de schietpartij op de Dam berust bij Roegholt hoofdzakelijk op het relaas van de majoor C.F. Overhoff, de commandant van de BS gewest 10, Amsterdam, die door een interventie bij de Ortskommandatur op het Museumplein de daders weldra liet arresteren. Overhoff wist echter niet hoe zijn troepen, die hij die ochtend de opdracht had gegeven bij de verwachte aftocht van de Duitsers niet tot schieten over te gaan, intussen op het incident hadden gereageerd. Van tenminste een van zijn manschappen, een jongeman genaamd Peter de Bie, die op de ochtend van 7 mei 1945 was ingedeeld bij het BS-bataljon 'Three Castles', is een reactie bekend: hij schoot naar schatting drie, wellicht zelfs vier Duitsers van het dak van de Grote Club. De BS-groep waartoe De Bie, die in het verzet voor de Persoonsbewijzencentrale werkte, behoorde, had tot taak het Paleis op de Dam, het hoofdpostkantoor en het toenmalige geldkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal (codenaam: Three Castles) op de dag van de bevrijding binnen te vallen en de Duitse militairen te ontwapenen.

De Bie, die nog geen twintig jaar oud was, zat gewapend in een door tentzeil afgedekte werkput van de telefoondienst voor het gebouw van het geldkantoor, met het uitzicht op de Paleisstraat (dus op de Grote Club), in afwachting van het sein om de springstof in de drie gebouwen onschadelijk te maken. Het is vrijwel zeker dat er meer BS-ers zijn geweest die hebben teruggeschoten (ze zaten verdekt opgesteld schietklaar rondom de drie gebouwen), maar De Bie, zo is uit tweevoudige bron bekend, was in elk geval een van de eersten. Hij verdient in de volgende druk van Roegholt een speciale vermelding te krijgen.

Dat geldt ook voor het verhaal van de jonge verslaggever Bob Steinmetz, die op die dag zijn debuut in Het Parool zou maken. Hij was naar de Dam gestuurd om de feestelijkheden te beschrijven voor de middageditie van zijn krant, maar zijn verslag bereikte de krant niet als gevolg van de paniek die na de schietpartij bij het Paleis uitbrak. Steinmetz zocht dekking achter de pilaren en wachtte daar tot de situatie weer veilig was. Toen hij met een vertraging van een uur op de redactie aankwam, stond het verslag al in de krant: van de hand van een andere verslaggever die erin geslaagd was uit een veiliger positie zijn waarnemingen te doen. Ook die teleurstelling van een jonge verslaggever die naast zijn eerste grote gebeurtenis grijpt hoort - ook al zou hij zich later ruimschoots revancheren - een plaats te krijgen in de losbladige aanvullingen op de geschiedenis.

    • Harry van Wijnen