Marcel en Pim tegen de rest van Nederland

Marcel van Dam: De opmars der dingen 174 blz., Balans 1994, ƒ 39,50

Pim Fortuyn: Het zakenkabinet Fortuyn 208 blz., Bruna 1994, ƒ 24,90

Het is al weer drie jaar geleden dat Marcel van Dam, voorzitter van de VARA, bezoek kreeg van twee verslaggevers van het weekblad Vrij Nederland. Ze wilden de voormalige PvdA-politicus spreken over de malaise in de partij. Het werd een weinig opwekkend verhaal. Zelfs “PvdA-kopstuk” wenste Van Dam niet meer te worden genoemd. Achter het bureau in het Hilversumse omroepgebouw zat een teleurgesteld om niet te zeggen verzuurd man. De PvdA? “Over nieuwe onderwerpen als het milieu heeft de partij niets orgineels te melden. De intellectuelen heeft ze niets te bieden. De arbeiders bestaan niet meer. Zo blijft er alleen een partij voor de zieken, zwakken en misselijken over. Maar daar worden de jonge kiezers weer door afgeschrikt. Het is één groot achterhoedegevecht.”

Met volgens eigen zeggen succes had Van Dam een drastische reorganisatie bij de VARA doorgevoerd. De 'echte zeikerds moeten eruit', was het credo van de operatie. Iets dergelijks zou de PvdA ook moeten doen, adviseerde Van Dam. “De PvdA zou er ook goed aan doen zich te bevrijden van de zeurkousen en zuurpruimen die daar nu de toon zetten. De PvdA doet me denken aan een stofzuiger die alleen trutten aantrekt. Van die types die vroeger stewardess bij Aeroflot waren: met van die dikke achterwerken en vies piekhaar. De partij komt er pas weer bovenop als ze nieuwe mensen weet te rekruteren: mensen met een positieve uitstraling.”

De PvdA bleek niet haatdragend. Begin vorig jaar werd Van Dam gevraagd zitting te nemen in de partijcommissie die het ontwerp-verkiezingsprogramma moest opstellen. Het concept daarvoor had hij reeds op oudjaarsdag 1992 in de Volkskrant gepubliceerd. Onder de kop 'de staat van de staat' presenteerde Van Dam een zeven-puntenplan met uitgangspunten om partijprogramma's te laten sporen met de veranderende cultuur, veroorzaakt door individualisering en technologische ontwikkeling. Zo zou opnieuw moeten worden vastgesteld welke collectieve doelen nog voorwerp van overheidsbeleid dienden te zijn. Bij die nieuwe afweging moest worden geaccepteerd dat de burger meer risico's moest dragen of zelf moest verzekeren. Daarnaast zou opnieuw moeten worden vastgesteld welke normen en waarden nog zorg van overheidsbeleid zouden zijn. De regelgeving van de overheid zou globaler moeten worden. En, zo vond Van Dam, het door de overheid te garanderen inkomen zou beperkt moeten worden tot een individueel minimum.

Verrassend

Voor een sociaal-democraat die ooit de protégé van Den Uyl was, zijn het nog steeds verrassende stellingnames. Nog leuker wordt het als het inmiddels verschenen en door de achterban goedgekeurde PvdA-verkiezingsprogramma er op wordt nageslagen. Dan blijkt dat de inleidende analyse van dat programma op veel plekken 'Van Dam-achtige trekken' vertoont. Maar bij de concrete punten lijken, om bij zijn beeldspraak te blijven, de Aeroflot-trutten het toch van de 'Concorde-zakenman' te hebben gewonnen. De grote sprong voorwaarts die Van Dam zo graag zou willen maken, blijkt niet veel meer dan een pas op plaats. In partijverband is sinds de afrondende programma-besprekingen van Van Dam nog maar weinig vernomen. Wie wil weten hoe het hem vergaat dient zijn donderdag-bijdrage in de Volkskrant tot zich te nemen. Stukken waarvan er een aantal is gebundeld in het in hard cover uitgegeven boek De opmars der dingen.

Moet dat nou, zo'n opgewarmde prak? is al snel de vraag bij een dergelijke verzameling. Marcel van Dam is behalve polemist ook marktkoopman. Dus stelt hij in het voorwoord dat al die stukjes ad hoc oordelen over ad-hoc-gebeurtenissen leken te zijn. Leken, want geleidelijk aan werd hem steeds duidelijker dat die oordelen een herkenbaar onderling verband hebben. En natuurlijk, alleen al de schrijfstijl is zeer herkenbaar. En dat hij een paar vaste stokpaarden heeft, zoals basisinkomen en de maatschappelijke gevolgen van individualisering, is ook duidelijk. Op die manier is al gauw sprake van een onderling verband. Maar rechtvaardigt dat ook bundeling in een boek? Juist omdat de vaak aan de actualiteit gebonden stukken niet zijn bewerkt, is de houdbaarheidsdatum uitermate beperkt. Dat is jammer, want wat Van Dam te beweren heeft, zou best een bredere beschouwing en dus een boek waard zijn.

Alles is bij hem terug te voeren op de stelling dat de staat als ordeningsinstrument aan het vervagen is. “De overheid verliest steeds meer greep op de samenleving.” Daaraan moeten consequenties verbonden worden. “Decreteren van bovenaf moet zo veel en zo lang mogelijk worden vermeden”, schrijft hij in zijn laatste hoofdstuk. Zelfregulering, zelfbesturing, zoveel mogelijk gebruik maken van de markt en het marktmechanisme: het wordt allemaal met zo'n stelligheid geponeerd, dat je bijna zou vergeten dat het diezelfde Van Dam was die tien jaar geleden het land in trok met zijn plan voor de vijfurige werkdag. Een plan waarin een belangrijke taak was weggelegd voor de overheid, want die mocht “de strijd tegen de werkloosheid niet aan het vrije spel der maatschappelijke krachten overlaten”.

Inmiddels heeft Van Dam die strijd opgegeven. Dat wil zeggen, over een vijfurige werkdag hoor je hem niet veel meer. Volledige werkgelegenheid? Hij ziet het er nog steeds niet van komen. Zijn pleidooi voor de vijfurige werkdag is vervangen door het pleidooi voor een basisinkomen. Een ieder zou vervolgens kunnen proberen dat inkomen, ongehinderd door regelgeving of controle, aan te vullen met inkomen uit arbeid, variërend van het verrichten van klussen tot het bekleden van een full-time baan. Het heeft de charme van de eenvoud, maar dat is wel vaker het probleem met plannen van Van Dam.

Binnen de PvdA-programmacommisie heeft hij de discussie over het basisinkomen verloren, maar dat belet hem niet door te zetten. Hij heeft nu eenmaal de trekken van een zendeling. Volgens Van Dam is de werkloosheid een onoplosbaar probleem. In uren uitgedrukt is het werk in Nederland de afgelopen decennia slechts afgenomen, concludeert hij uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Van Dam vergeet echter de groep werklozen die hiervan het gevolg is nader te onderzoeken, terwijl dat toch essentieel is. Want dan blijkt dat er weliswaar veel werklozen zijn, maar ook dat het bestand tamelijk vlottend is. Anders gezegd: er zijn wel veel werklozen, maar het zijn, afgezien van een harde kern, niet steeds dezelfden die zonder baan zitten. Dat relativeert de noodzaak voor onorthodoxe maatregelen zoals een basisinkomen.

In het actuele debat over het scheppen van werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt neemt Van Dam, omdat hij blijft vasthouden aan zijn idee van een basisinkomen, een uitzonderingspositie in. “De roep om meer goedkope arbeid aan de onderkant van het loongebouw is mij veel te ongenuanceerd. Tientallen jaren is er gewerkt aan de verhoging van de kwaliteit van de arbeid. Het kan toch niet waar zijn dat er nu consensus zou bestaan over de omgekeerde weg?” schrijft hij. Van Dam wil geen liftboys, schoenpoetsers, putjesscheppers vaatwassers en anderen die 'turkenwerk' doen. Een zoals hij zelf schrijft “stuitende benaming voor smerig werk, die aangeeft wat ons te wachten staat als in Nederland wordt overgegaan tot zogenoemde taakafsplitsing om nieuwe goedkope banen te scheppen”. De vraag is vervolgens wat Van Dam dan wèl wil, behalve het basisinkomen.

Punter

Vorige week zaterdag zat Van Dam naar aanleiding van zijn boek bij het televisie-praatprogramma van Karel van de Graaf. Het publiek genoot, want wat Van Dam te vertellen had, was anders dan anders. Wie doorzapte naar Nederland 3 zag op hetzelfde moment Pim Fortuyn in een punter ronddobberen in de Haagse Hofvijver. Want ook Fortuyn heeft zijn op diverse plaatsen verschijnende columns weer tot een boekje gebundeld. Het zakenkabinet Fortuyn heet het.

De titel klinkt nog een beetje spannend, maar voor het overige heeft Fortuyn in het geheel niets te melden. De factor entertainment in zijn aanklachten wordt steeds groter. Een wezenlijke bijdrage aan de discusie levert hij nauwelijks meer. Niet voor niets heeft hij tegenwoordig een eigen show bij Radio Rijnmond. Pim Fortuyn heeft zich overschreeuwd en zich daarmee overleefd. Hij is een karikatuur van zichzelf geworden. Zijn strijd tegen de consensus-maatschappij met al haar vertakkingen was aanvankelijk verfrissend, maar nu? “Daar hebben we een Margaret Thatcher voor nodig of gewoon een Pim Fortuyn”, zo eindigt hij één van zijn stukken. Het zegt genoeg.

    • Mark Kranenburg