Koos Terpstra regisseert een vier eeuwen oud drama van Robert Greene; Koningen die op managers lijken

Voor zijn regie van Een vijand van het volk kreeg Koos Terpstra de Perspectiefprijs. Gisteravond ging zijn tweede grote produktie van dit seizoen in première: James IV van Robert Greene, een tijdgenoot van Shakespeare.

James IV, een Nesproduktie, t/m 9 april in Frascati, Amsterdam, en t/m 14 mei elders in het land.

“Robert Greene moet een onmogelijk mens geweest zijn. Hij was een zuiplap, een overspelige, een dief en een bedrieger. Zijn eigen verdorvenheid fascineerde hem mateloos. Hij splitste zijn alter ego in personages die veel harder en directer zijn dan de figuren bij Shakespeare.” In Nederland kent vrijwel niemand het werk van Robert Greene, en dat vindt regisseur Koos Terpstra wel zo aardig. “Een nieuw verhaal is extra spannend”, zegt hij.

Omdat The Scottish Historie of Iames the fourth, slaine at Flodden hier nooit eerder werd opgevoerd, moest Terpstra het ruim vier eeuwen oude koningsdrama zelf vertalen. Schokkend modern - modieus haast - klinkt die vertaling tijdens een doorloop, waarin de koningen eerder op managers lijken, compleet met grijns en vlotte babbel. “Mensen van nu”, meent de regisseur, “moeten het stuk wèl snappen. Waarom zou ik het dan omzetten in een taal die niet de onze is?”

Het is zes dagen voor de première en in deze periode woont hij zo'n beetje in Frascati, het theater in de Amsterdamse Nes. Terwijl een van de acteurs de theaterkeukentafel dekt, vertelt Koos Terpstra dat James IV over “de onmeetbare gevolgen van een onwelgevoeglijke verliefdheid” gaat. “James IV, de koning van Schotland, is getrouwd met Dorothea, maar hij houdt van een andere vrouw. Alles heeft hij voor die liefde over, tot aan het voeren van een oorlog toe. Aan het eind van het stuk zijn er door zijn toedoen wel zevenduizend mensen dood. De koning is de baas, de anderen hebben zich naar hem te voegen. Hoe valt hun inschikkelijkheid, die hen tot moordenaars maakt, te rijmen met hun privé-moraal? Hoe ver gaan mensen om hun doel te bereiken en waar loopt het fout? Het fascineert me dat het zo makkelijk kan zijn om een moord te plegen.”

En het beangstigt hem dat iedereen in het stuk achteraf doet alsof er niets gebeurd is. “Robert Greene keek zelf niet meer naar zijn vrouw om toen hij haar geld eenmaal verbrast had, maar de echtgenotes in zijn drama's idealiseerde hij verschrikkelijk. Ik heb zo mijn twijfels bij de goedheid van koningin Dorothea. Vergevingsgezindheid is vaak toch niets anders dan het accepteren van onrecht omwille van de status quo? Daar kan ik niets nobels aan ontdekken.”

Bij het regisseren zoekt hij steeds naar een moraal, maar tot dusverre heeft hij er nog geen gevonden. “Want het theater staat heel dicht bij het leven en het leven is niet te pakken te krijgen. Zoals muziek meer is dan de partituur, zo is toneel meer dan alleen de woorden, meer dan wat je in je hersens recht kunt breien. Vormingstheater, esthetisch theater, politiek theater - ik gooi het nogal intuïtief bij elkaar en hopelijk explodeert die cocktail in de hoofden van de kijkers.”

Dat ook een helder verteld verhaal de toeschouwer in verwarring kan brengen, bleek uit Een vijand van het volk, Terpstra's eerste grote zaal-produktie, die de afgelopen herfst bij Theater van het Oosten uitkwam. In dat stuk van Henrik Ibsen roept dr. Stockmann, de eenzame strijder tegen een misstand in zijn stadje, tijdens een fanatieke redevoering uit: 'De meerderheid heeft nooit gelijk, nooit!' Dr. Stochmann vecht voor de waarheid maar hij is ook een drammer, terwijl de meerderheid hier het pure eigenbelang vertegenwoordigt. Is Terpstra soms bang voor de massa? “Als de meerderheid het voor het zeggen had, zou de subsidiekraan voor de kunst snel dichtgaan, dat weet ik zeker. Ik heb op school geleerd: democratie is rekening houden met de minderheid. In de vaderlandse politiek zie ik daar weinig van terug.”

Hij werd geboren op Texel, als zoon van een boerenknecht. Op zijn eenentwintigste verliet hij het eiland om theaterwetenschappen te gaan studeren. Hij liep stage bij George Tabori en richtte in 1986 het Brandtheater op, waarvoor hij zijn eerste teksten schreef. Dat gezelschap bestaat niet meer, maar schrijven doet Terpstra nog steeds. Zijn eigen stukken zijn vaak ongrijpbaar en griezelig realistisch tegelijk. Zweet bijvoorbeeld, een lunchvoorstelling die hij vorig jaar zelf regisseerde, bevatte bloedstollende scènes. Vier jongens keken toe hoe een andere jongen een meisje vernederde, met als decor het venster van Theater Bellevue, waarachter het dagelijks leven zijn gang ging. 'Een sprookje', zo noemde hij het stuk, waarvan een grote dreiging uitging omdat de motieven van die gewelddadige, maar o zo vriendelijke jongeren volkomen duister bleven. De sprookjes van de gebroeders Grimm blijken een belangrijke inspiratiebron. “Die sprookjes zijn helemaal niet zoetsappig, maar kei- en keihard! Het lijken wel politierapporten. Ze hebben altijd een beangstigend einde.”

Koos Terpstra is de laatste tijd veel in het nieuws. Onlangs werd bekend dat hij met ingang van het seizoen 1995/1996 de artistieke leiding van het RO Theater zal komen versterken. En afgelopen zondag nam hij de Perspectiefprijs in ontvangst, een 'aanmoedigingsprijs ter stimulering van aankomende talenten in de scheppende sector van de theater- en muziekwereld'. Nee, vernederend vindt hij het niet, zo'n eerbewijs in de categorie Jong en Veelbelovend. Weliswaar is hij al bijna veertig, maar, zegt hij, “ik ben toch nog maar acht jaar bezig?” Acht jaar geleden, in het eerste persbericht van het Brandtheater, schreef hij overmoedig: 'Het Brandtheater kiest voor oprecht theater. Geen artistiek gekonkel, maar echte emoties.' Zijn artistieke idealen lijken onveranderd. Wanneer ik hem anno 1994 vraag hoe hij het Terpstra-thema noemen zou, antwoordt hij na enig denken: “Eerlijkheid.” En bloost daarbij kort maar hevig.

    • Anneriek de Jong