Jorge Semprún; Een intellectueel in de politiek

Jorge Semprún: Federico Sánchez vous salue bien 335 blz., Grasset 1993, ƒ 54,60

In de zomer van 1988 werd de schrijver Jorge Semprún benoemd tot Spaanse minister van cultuur. In maart 1991 verdween hij na een ministerswisseling van het politieke toneel. Over die ruim tweeëneenhalf jaar van ministerschap gaat het onlangs verschenen boek Federico Sánchez vous salue bien. Semprún, die sinds het einde van de Spaanse burgeroorlog in Parijs woont, publiceerde het tegelijk in het Frans en het Spaans (Federico Sánchez se despide de Ustedes, Tusquets 1993).

Federico Sánchez was Semprúns codenaam in de clandestiene Spaanse Communistische Partij, waarbinnen hij in de loop van de jaren vijftig snel carrière maakte en verantwoordelijk was voor talloze geheime missies in het Frankistische Spanje. In 1964 kwam hij in botsing met de leiders van de partij, Santiago Carillo en de legendarische Pasionaria, en werd als 'bourgeois revisionist' uitgestoten. Kort na Franco's dood schreef hij er een boek over: Autobiografía de Federico Sánchez. Het sloeg in als een bom en beroofde de Communistische Partij van haar bijna vanzelfsprekende morele superioriteit als het enige legitieme antwoord op het Frankisme.

De Autobiografía was een afrekening en Semprúns nieuwste boek is dat opnieuw. Niet met Carillo, die in de Spaanse politiek geen rol meer speelt en zich in arren moede bij de socialistische partij heeft trachten aan te sluiten. Maar met Alfonso Guerra, die ten tijde van Semprúns ministerschap vice-premier was en binnen de PSOE nog altijd de meest gevreesde partijbons is.

Semprún schetst een verbijsterend beeld van Guerra's macht binnen de PSOE en het kabinet. Hij was, schrijft hij, de enige die op het wekelijks kabinetsberaad in de pauzes nooit zijn zetel verliet. De ministers kwamen naar hém toe: om raad, om een gunst, om instructies. Minister van sociale zaken Matilde Fernández viel soms letterlijk op haar knieën. Justitie-minister Enrique Múgica (in Autobiografía de Federico Sánchez nog met warmte als oude strijdmakker beschreven) negeert Semprún botweg vanaf het moment dat hij Guerra publiekelijk heeft gekritiseerd.

De guerristas verkeerden met de andere leden van het kabinet eerder op voet van koude oorlog dan van collegialiteit. Zij onderscheidden zich, schrijft Semprún, achter hun links-radicale retoriek vooral door hun cliëntelisme en kliekjesgeest. Guerra bestierde de partij met ijzeren hand en vormde met zijn côterie een eigen macht binnen de regering. Nog altijd is Guerra's invloed achter de schermen van de partij groter dan menige hervormer zou wensen. Op het vorig weekend afgesloten partijcongres wist hij, tegen de verwachtingen in, zijn machtsbasis grotendeels te handhaven.

Staking

Het was ook al in 1988 geen neutrale situatie waarin Semprún uitgenodigd werd zitting te nemen in het kabinet. De legitimiteit van de regering begon te lijden onder corruptieschandalen en het odium van arrogantie dat zes jaar socialistisch meerderheidsbewind had meegebracht. Enkele maanden na het aantreden van Semprún moest Pilar Miró, hoofd van de Spaanse staatstelevisie, het veld ruimen wegens misbruik van fondsen. In december van dat jaar riepen de vakbonden met groot succes een algemene staking uit tegen het 'yuppie-socialisme' van de PSOE. Ruim een jaar later raakt Guerra in opspraak door de malversaties van zijn broer en protégé Juan, en moet hij als vice-premier aftreden.

Guerra was ongetwijfeld niet als enige verantwoordelijk voor deze ontsporingen, maar zijn clangeest stond een cultuurverandering binnen de partij in de weg. Naar buiten toe vormde hij het lelijke gezicht van de PSOE. Semprún ziet zijn eigen benoeming als een poging van Felipe González om de macht van Guerra te neutraliseren. Hij kwam als buitenstaander, was nooit lid van de socialistische partij geweest en woonde zelfs niet in Spanje. De ministers die zijn opvolging voorbereidden wisten niet eens zeker of hij wel de Spaanse nationaliteit bezat.

Dat is een aangename theorie, maar ze verklaart niet waarom González zich aanvankelijk fel tegen Guerra's aftreden zou verzetten en Semprún al in de zomer van 1990 meedeelde dat hij - en niet zijn jeugdvriend Guerra - zou worden vervangen. Waarschijnlijker is dat Semprún werd aangezocht wegens zijn beroemdheid en internationaal prestige. Hij was een gevierd schrijver van boeken en scenario's, die vooral met zijn debuutroman De grote reis (over zijn kampervaringen in Buchenwald) en de scenario's van films als Z, L'attentat en La guerre est finie een groot moreel prestige had verworven. En aan moreel prestige had González op dat moment dringend behoefte.

Tenslotte zou Semprún Guerra toch nog twee maanden overleven. In het najaar van 1990 stond de Golfoorlog een kabinetswijziging in de weg, maar het schandaal rond Juan Guerra maakte de positie van diens broer onhoudbaar. Guerra verdween in januari uit het kabinet, Semprún pas in maart; het was zijn grootste voldoening.

Overigens schrok Semprún er ook zelf niet voor terug om, als praktisch demissionair minister, enkele rekeningen te vereffenen. In dat najaar ontsloeg hij een handvol hoge ambtenaren op zijn ministerie, die zich tegen de Golfoorlog hadden uitgesproken. Kort daarop volgde Tomás Llorens, directeur en geestelijk vader van het museum voor moderne kunst Reina Sofía, dat zojuist met veel succes zijn deuren had heropend. Het was een publiek geheim dat beide heren elkaar niet zo lagen.

Semprún maakt van deze incidenten nauwelijks melding (“Ik ontsloeg en benoemde wat mensen”), en ook op andere punten laat het boek het nogal eens afweten. Men zou van deze politieke moralist graag weten wat hij van de Golfoorlog dacht. Tenslotte was het intellectuele debat daarover nergens zo heftig als in Spanje. Maar Semprún houdt zich op de vlakte, zoals hij ook over de taak van een cultuurminister - die zijn bevoegdheden en fondsen ziet wegvloeien naar de deelregeringen van de Spaanse autonome regio's - weinig substantieels te melden heeft.

Semprúns sympathie en bewondering gaan ondubbelzinnig uit naar Felipe González, die hij beschrijft als een staatsman van Europees formaat, en het pragmatische beleid van zijn minister van economie Carlos Solchaga. Maar veel dieper dan die betuigingen van sym- of antipathie gaat zijn politieke oordeel niet. Semprún onttrekt zich eraan met literaire stijlmiddelen. Het boek is geschreven als een doorlopende mijmering, doorschoten met flashbacks en herinneringen, vaak bijeengehouden door ritueel herhaalde ontkenningen. Net als de Autobiografía de Federico Sánchez doet het onweerstaanbaar denken aan de intellectuele Franse cinema van de jaren zestig.

Gorbatsjova

Met bestudeerde achteloosheid laat Semprún de groten en kleinen die hij als minister ontmoette voorbij trekken: Raisa Gorbatsjova, wier publiciteitsbelustheid hij verafschuwt; Sonja O., een klasgenootje uit het Haagse Tweede Gymnasium (Semprúns vader was gezant in Den Haag), die hem een brief stuurt naar aanleiding van zijn tv-interviews met Wim Kayzer ('Kaizer' schrijft Semprún); koningin Elizabeth, die mokkend moet vaststellen dat de schilderijen van Velázquez zich veel beter laten restaureren dan haar eigen Gainsboroughs.

Liever citeert Semprún de grote doden, met een superioriteit die hem in Spanje nooit populair heeft gemaakt. Tocqueville brengt hem in het geweer tegen Guerra's corruptie; Hegel verleidt hem tot een lofzang op de geleidelijkheid in de politiek. Spanjes kalme overgang naar de democratie, zonder omwenteling en zonder zuiveringen, is waarschijnlijk het enige historische voorbeeld van politieke Aufhebung, schrijft hij. Om dat reformisme werd hij ooit uit de Communistische Partij gezet.

Met het afscheid van Federico Sánchez sluit zich, zo voelt Semprún, zijn eigen levensloop. De Madrileense woning die hij als minister toegewezen krijgt ligt recht tegenover het huis van zijn kinderjaren. Met zijn officiële functie wordt een familietraditie hersteld. Ook zijn grootvader, Antonio Maura, was in de jaren twintig al minister. Semprún lijkt zich diens legitieme erfgenaam te voelen, alsof het ministerschap hem op een of andere manier toekwam. Dat is voor een democraat een wonderlijk staaltje van standsbewustzijn dat La pasionaria misschien toch terecht gehoond heeft: altijd een bourgeois gebleven.