In 2,5 seconden naar 100 kilometer per uur

ROTTERDAM, 26 MAART. In de Formule 1 draait bijna alles om geld, heel veel geld. De vier componenten - coureur, racewagen, motor en brandstof - van een winnend team zijn allemaal duur. Coureurs als Ayrton Senna en Gerhard Berger verdienen dertig miljoen gulden per jaar. De vier topteams, die de wagen ontwerpen en bouwen, beschikken over een budget van ongeveer honderd miljoen gulden per jaar. Grote autofabrikanten als Renault, Ford, Peugeot, Mercedes en Ferrari nemen de motoren (ongeveer honderd per seizoen) voor hun rekening, de grote oliemaatschappijen de brandstof.

De meeste wagens worden ontworpen en gebouwd in Engeland. Daar hebben bijvoorbeeld Wil liams-Renault (Didcot) en Benneton-Ford (Enstone) een complete fabriek met honderd man personeel in de buurt van het vliegveld Heathrow. Het hele jaar door werken de technici aan het onderhoud van de wagens die dat seizoen de Grand Prix-races rijden en werken de constructeurs alvast aan het ontwerp voor het volgende seizoen. Ieder team heeft twee racewagens en een testwagen.

Het bouwen van een Formule 1-wagen (minimaal gewicht 505 kilogram) begint bij de monocoque, een gegoten kuip van koolstofvezel waar de coureur nog net in past. De monocoque moet stijf genoeg zijn om de trillingen van het racen te doorstaan, stevig genoeg om een ongeluk te overleven en mag bovendien niet te zwaar zijn.

De motor, met een inhoud van 3.500 cc, telt acht (de Ford Zetec-R van Jos Verstappen), tien (Renault van Ayrton Senna) of twaalf cilinders (Ferrari). Hoe meer cilinders, hoe meer vermogen. Maar hoe zwaarder, hoe trager de auto. De motoren wegen ongeveer 150 kilo en leveren meer dan 700 paardekrachten, voldoende om binnen 2,5 seconden van stilstand naar een snelheid van 100 kilometer per uur te versnellen. In de twee uur die de gemiddelde Grand Prix duurt, draait de motor ongeveer zestig procent op volle kracht.

De wagen is ongeveer vier meter lang, twee meter breed en een meter hoog. Het is een soort omgekeerde vliegtuigvleugel. De aërodynamische vinnen en vleugels moeten de wagen stevig op de grond drukken, om de wegligging te verbeteren. Bij een snelheid vanaf 100 kilometer per uur zouden de wagens door die neerwaartse druk in theorie tegen een plafond kunnen rijden. Vorig jaar reden de wagens nog met een actieve vering, die de afstand tussen de platte bodem van het chassis en de weg constant hield.

De banden, die voor de start tot ongeveer 100 graden celcius worden verhit, zijn te verdelen in twee basistypes: voor droog weer en voor nat weer. Maar voor bijna ieder circuit worden verschillende banden gebruikt, afhankelijk van de temperatuur, de ondergrond en de snelheid die de wagen daar kan ontwikkelen.