Hoogaars

Jules van Beylen: De Hoogaars en de visserij van Arnemuiden

380 blz., geïll., Hedeby, ƒ 87,50

In 1945 betrad de Belg Jules van Beylen het Antwerpse Oudheidkundig Museum Vleeshuis, in de functie van sjouwer. Van Beylen zou enkele jaren later de conservator - en de facto directeur - van het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen worden, dat onder zijn leiding gestalte kreeg. Tevens werd Van Beylen een produktief maritiem historicus en was hij onder andere enige tijd voorzitter van de International Council of Maritime Museums (ICMM).

Na uit Duitse krijgsgevangenschap gekomen te zijn schreef de jonge Van Beylen zich in 1942 in als student aan de Koninklijke Academie van Schone Kunsten in Antwerpen. Hier leerde hij de kunstenaar Maurice Seeghers (1859-1983) kennen, die hem inwijdde in de geschiedenis van de traditionele Zeeuwse visserij en de bouw van scheepsmodellen. Het verval van de traditionele Zeeuwse zeilschepen was toen al in volle gang. Volop geïnspireerd door Seeghers, die honderen tekeningen had vervaardigd van de Zeeuwse visserij, en in het besef dat aan de monding van de Schelde een eeuwenoude, pre-industriële tak van bedrijf in hoog tempo aan het verdwijnen was, schafte Van Beylen zich een motorfiets aan. Daarmee schuimde hij de Zeeuwse havenplaatsjes af, wat in de jaren vijftig en zestig, voordat de dammen en bruggen werden aangelegd, geen sinecure was. Van Beylen begon met het opmeten van de laatste traditionele houten Zeeuwse zeilschepen, of wat daarvan resteerde. Regelmatig moest hij zich te voet bij laag water door slikplaten heenwerken om staande in de modder een wrak op te meten, te fotograferen en bijzonderheden te noteren. Hij interviewde vissers en scheepmakers en richtte zich in zijn onderzoek vooral op de materiële kant van hun cultuur. De schepen, de vistuigen, de vismethoden en zaken als kleding, scheepsinventarissen en nevenbedrijven werden, met een sterk accent op de technische aspecten, door Van Beylen gedocumenteerd.

De Zeeuwse visserij, de vissers en hun cultuur, en de typische schepen uit dit gebied hebben nooit veel aandacht gekregen van Nederlandse historici. Dit in tegenstelling tot het Zuiderzeegebied, dat altijd meer tot de verbeelding heeft gesproken van 'Hollanders' en bovendien veel gemakkelijker toegankelijk was. De nagalm van zeventiende-eeuwse roem en vooral de materiële resten hiervan in de oude Zuiderzeestadjes, hebben daar het hunne aan toegevoegd. De Zuiderzee was ook voor de watersporter goed te exploreren. Toen na de Tweede Wereldoorlog de houten Zuiderzeebotters voor een appel en een ei te koop werden aangeboden, vielen veel van deze zeilschepen in handen van romantische watersporters met een smalle beurs die geen geld hadden voor restauratie en die de meeste van deze schepen in enkele jaren tijd 'afragden'.

Toch bleef die belangstelling bestaan. In de jaren zestig begonnen particulieren met serieuze restauratieplannen zich te ontfermen over de laatste botters. Van de duizenden botters van weleer resteren er weliswaar relatief weinig (ongeveer 80), maar het contrast met het aantal originele traditionele Zeeuwse zeilschepen dat behouden bleef is groot: die zijn op de vingers van een hand te tellen. Zeeland lag voor het Deltaplan zeer geïsoleerd, de meeste eilanden en havenplaatsen waren slechts per schip te bereiken. De Zeeuwse stromen waren ook geen gemakkelijk vaargebied voor niet al te ervaren watersporters.

In 1978 publiceerde Van Beylen zijn boek De hoogaars dat vooral gewijd was aan de bouw van een Tholense hoogaars. De hoogaars is een klein zeilschip, dat gekenmerkt is door zijn hoog uit het water stekende boeg. Zoals de punter bij Giethoorn hoort, of de gondel bij Venetië, zo hoort de hoogaars bij Zeeland. In zijn laatste boek over de Arnemuidense hoogaars beschrijft Van Beylen tot in de kleinste details de verschijning, de bouw en het gebruik van het type hoogaars zoals dat gedurende eeuwen op de voormalige scheepswerf Meerman in Arnemuiden gebouwd werd. Het bouwproces heeft hij stap-voor-stap kunnen beschrijven doordat hij de bouw van een jachthoogaars op de werf van Meerman in 1960 nauwgezet heeft gevolgd en vastgelegd.

Van Beylen beschrijft de vele onderdelen en de inventaris volgens een in zijn eerdere publikaties beproefde methode: de bouw van een gedetailleerd schaalmodel van een Arnemuidense hoogaars. Het boek is een monumentaal werk, dat tot in lengte van jaren een standaardwerk zal zijn.

    • Henk Dessens