Hobsbawm en het nationalisme

In hun artikel in het Zaterdags Bijvoegsel van 19 maart noemen De Schaepdrijver en Vries Eric Hobsbawm met goede gronden één van de grootste namen op het terrein van de sociale geschiedenis.

Zijn publikatie 'nations and nationalism since 1870: programme, mythe, reality' is inderdaad een welhaast klassiek geworden werk op het terrein van de geschiedenis en de psychologie van het nationalisme. Dit boek verscheen in 1990 en is, op de inleiding na, geschreven voordat de Centraaleuropese landen afgerekend hadden met hun communistische partijen en gebroken hadden met de Sovjet-Unie. Het is zeker geschreven voordat de huidige golf van etnisch en nationaal conflict de staatkundige kaart van Centraal en Oost-Europa verscheurd had.

Ik had verwacht dat Hobsbawm de gelegenheid zou hebben aangegrepen voor een herbezinning op het verschijnsel nationalisme, in het bijzonder van het Centraal- en Oosteuropese nationalisme. Tot mijn spijt doet hij dat niet; hij valt zelfs terug in standpunten die weinig recht doen aan zijn eigen behartenswaardige opmerkingen over belangrijke nationale bewegingen in de twintigste eeuw en hun verband met brede verzets- en bevrijdingsbewegingen. In zijn boek besteedt hij ruime aandacht aan het nationale element in de revolutionaire bewegingen van arbeiders, verarmde boeren, soldaten en krijgsgevangenen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in het verslagen tsaristische Rusland en de verslagen keizerlijke Donau-monarchie. Vervolgens werkt hij een hypothese uit over het nationale element in verzets- en bevrijdingsbewegingen aan de hand van de geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog, de resistance in Frankrijk tegen Nazi-Duitsland, en de nationale bevrijdingsbewegingen in Afrika en Azië. De hypothese luidt dat nationalisme en socialisme kennelijk elkaar goed verdragen, in weerwil van de leer van het geperverteerde verbinding van nationalisme en socialisme in het nationaal-socialisme van Hitlers Derde Rijk.

In zijn mening over het recente Centraal- en Oosteuropese nationalisme is weinig plaats voor dit soort nuanceringen. Als sprak hier een conservatieve professor uit het Wenen of Boedapest van 1910, en als herhaalde hij de gram van Lenin tegen Poolse communisten, horen we dat het om onbegrijpelijk en stupide 'Kleinstaaterei', kleinburgerlijke en reactionaire bewegingen en regionaal economisch belang gaat. Joegoslavië is uiteen gevallen omdat Slovenië en Kroatië te rijk werden in vergelijking met de overige delen van voormalig Joegoslavië. De scheiding van Tsjechië en Slowakije komt minstens ten dele voor rekening van Vaclav Klaus die de Slowaken liever kwijt dan rijk was.

Het is allemaal tot op zekere hoogte waar. Ook waar is echter, dat er goede gronden zijn om nieuwe staten te creëren als de oude staatsverbanden kennelijk niet meer werken. Nieuwe staten ontstaan uit de leemtes van vervallen staatsverbanden en uit hergroeperingen aan hun grenzen. Dat is althans een belangrijk onderdeel van de Centraal- en Oosteuropese geschiedenis van de twintigste eeuw. In deze eeuw zijn de tsaristische rijken, de Donaumonarchie en het Ottomaanse rijk uiteengevallen en hebben zich zowel opportunistische en nationalistische als sociale, en culturele bewegingen aangediend als staatkundige verbanden voor daarna.

Beide soorten bewegingen hebben daartoe strategische allianties gevormd. Nu zijn de communistische staatsverbanden en rijken uiteengevallen en dienen zich opnieuw allianties van opportunistische, nationalistische, sociale en culturele bewegingen aan om in de leemte te voorzien. Zij volgen voorshands de bestaande administratieve kaart van die rijken, zeker voorzover de kaart een etnisch-nationale kleur heeft. Deze dynamiek verloopt niet volledig chaotisch, maar vindt internationale erkenning en ondersteuning.

Een deel van de internationale erkenning en ondersteuning komt van de zijde van intellectuelen-buitenstaanders. Zij vormen een belangrijke kritische instantie voor datgene wat zich afspeelt. Zij kunnen, op basis van onderzoek, een beoordeling geven van het (gevaarlijke) opportunistische en nationalistische gehalte van bepaalde bewegingen in vergelijking met het sociale en culturele gehalte ervan. Zij kunnen tevens, eveneens op basis van onderzoek, de maat nemen van de internationale erkenning en ondersteuning, toegespitst op de realiteitswaarde van de hooggestemde idealen van zelfbeschikkingsrecht, minderhedenrechten, democratie en sociale rechtvaardigheid, op de noodzaak van internationale conflictbeheersing en op de effecten voor internationale machtsvorming. Hobsbawm heeft naar mijn mening hier een kans laten liggen.

    • George Muskens