Het verkeerde been

Een roek kijkt je recht aan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een papegaai, die je scheef aankijkt, zodat hij zijn volle oog op je kan laten rusten. De ene roek keek mij dus aan omdat ik het woord tot hem richtte, terwijl de andere, waarschijnlijk het vrouwtje, rustig doorging met op de grond te pikken. Je kon zien dat de aangesprokene het wel aardig vond, iemand die eens een woordje zei. Ik meende dat het een roek was, omdat hij sterk op een kraai leek. Er is een Engels gezegde dat luidt: “Als het op een kraai lijkt is het een roek. Lijkt het op een roek dan is het een kraai.” (Ik heb het voor het gemak maar even vertaald.)

Toen er een mevrouw met een hond aankwam stopte ik het gesprek en liep verder. Omdat ik naar een feest ging was ik feestelijk gekleed, maar je weet het tegenwoordig niet. Tien jaar geleden werkte ik op een kamer bij een uitgeverij en naast me, op een andere kamer, werkte een Amerikaanse financieel expert. Ik droeg dan een trui, hij een pak.

Toen ik hem een keer 's avonds aan een diner tegenkwam, droeg hij een trui en ik een pak. Je weet het gewoon niet.

Ik wil hiermee maar zeggen dat ik niet uit de generatie ben die een wijdvallend zwart jasje draagt en een clownsbroek, en onder dat jasje dan een wit overhemd met lange punten en geen das. Ik weet dat dat ook al weer ouderwets is, maar niet zo ouderwets als de gewoonte om, als man dan, feestwaarts een tuinbroek aan te trekken en Noorse klompen, terwijl je vrouw een zijden jurk met frutsels, hoge hakken, oorbellen en veel juwelen aandoet. Wat bezielt dergelijke mensen als ze hun huis verlaten en in de auto stappen?

Nee, ik ben in een mode blijven steken van toen ik eind dertig was. Dat doet vrijwel iedere man. Hij zoekt een mode uit waarvan hij vindt dat die bij hem past en dat blijft het dan. Het mooie is dat je die kleren over het algemeen nog wel kunt kopen, zoals er nog steeds winkels zijn die die wijnrode truien en die pilo-broeken verkopen die onze grootvaders al aan hadden, mits ze in Het Gooi of rond Bloemendaal woonden.

Zelfs was mijn eerste echte baan in Liverpool, waar iedereen in de haven een pak droeg, hoewel havenarbeiders nooit een bij de broek passend jasje aanhadden. Ze droegen ook geen boord, maar een glimmende avondshawl. Overalls bestonden alleen voor carbon black en werden dan uitgereikt door de werkgever. Ze haatten die dingen.

Ik droeg losse boorden, met een boordeknoopje voor en achter, van papier, die boorden dan. Vaak ook losse manchetten. En een bolhoed, hoewel dat geen bon ton was voor een Master Porter & Stevedore. Voor een bolhoed moest je botenbaas zijn (lager) of reder (hoger). Bij een tweedjasje vroeg mijn baas zich af of ik 's middags naar de paardenraces ging.

Blazers draag ik nog steeds zelden, omdat ik weet dat elke Brit meteen een Nederlander herkent aan dat kledingstuk, dat hier meer dan waar ook gedragen wordt. Alsof we voortdurend op weg zijn naar de sportvereniging.

Voor het feest had ik dus een blauw pak aan, met vest, een wit overhemd en een groene das. Dit laatste is gewaagd, maar ik ben een waaghals. Daaroverheen een zwartblauwe overjas met dat zwarte fluwelen kraagje dat tijdens de Franse revolutie door nette Engelsen werd gedragen als een voortdurende rouw voor onder de guillotine gestorven relaties, i.p.v. de rouwband om de bovenarm.

Hoewel de jas niet dat echte korte had en ik ook geen bloem in het knoopsgat droeg, werd ik toch aangehouden door een magere man in een leren jasje, spijkerbroek en een mismoedige trek om de mond.

Of ik Engels sprak.

Nou, dat laat geen Nederlander aan zich voorbij gaan. Of ik Engels sprak! 'But certainly.'

Hij was op zoek naar een café waar Engelsen zouden komen. Inderdaad was er in de buurt waar ik liep geen enkel café maar bovendien was de vraag me enigszins onduidelijk. Hadden we hier van doen met een plotseling geval van homesickness?

Hij legde me uit dat hij op het station beroofd was van zijn geld. Hij was er wel voor gewaarschuwd maar het was toch gebeurd, en nu was hij naar het Britse consulaat geweest maar daar waren ze dicht op zaterdagavond. De politie kon hem ook niet verder helpen en bij het goedkoopste hotel ook niet. Hij was al geweest bij O'Henry's, maar dat werd gedreven door Nederlanders. Hij was vervolgens op het Leidseplein geweest en op het Rembrandtsplein, 'but to no avail'.

Niemand wilde helpen. Hij wist echt niet meer wat hij moest doen. De kamer in het goedkope hotel kostte 6 pond, vijftien gulden.

Nu weet ik van oplichting. Zelfs heb ik geschreven over jongens die op het station staan en dringend een reis moeten betalen naar Hamburg, want moeder is doodziek, en er ontbreekt nog net ƒ 32.80. 'Wunderbar! Hartelijk dank. Hoe kan ik u terugbetalen?'

Maar dit verhaal klonk zo plausibel, en je moet niet altijd alles van de verkeerde kant blijven bezien, het was immers best mogelijk, die dingen komen voor. En een hotel van vijftien gulden, ach.

Dus ik gaf een briefje van vijfentwintig. “Oh geweldig, waar kan ik u terugbetalen? Enne, als ik nou nog vijf gulden meer had, kon ik twee nachten slapen”, voegde hij er aan toe.

En toen wist ik dat ik geflest was.

    • van Lennep