Het evangelie volgens Mani

Ludwig Koenen en Cornelia Römer: Mani. Auf der Spur einer verschollenen Religion 106 blz., Herder 1993, ƒ 44,80

Samuel N.C. Lieu: Manichaeism in the later Roman Empire and Medieval China 370 blz., Mohr 1992, ƒ 187,95

Manichaean Studies Newsletter 11 (december 1993) Departement Oriëntalistiek, Blijde-Inkomststraat 21, B-3000 Leuven

Dat op het terrein van de godsdienstgeschiedenis belangrijke ontdekkingen nog altijd mogelijk zijn, hebben de achterliggende decennia verrassend bewezen. Kort na de Tweede Wereldoorlog brachten de manuscripten van Qumran Hebreeuwse teksten met nieuw materiaal over het laat-antieke jodendom. Vanaf het begin van de jaren vijftig werden de geschriften uit het Egyptische Nag Hammadi wereldkundig gemaakt. Deze teksten in het Koptisch, een late vorm van het Egyptisch, berichtten over een hogere religieuze en verlossende kennis (gnosis). Wat gnostiek geweest zou zijn, wist men tot dan toe slechts uit de geschriften van degenen die de gnostici fel bestreden.

Van niet minder belang is nu de vondst van de in het Grieks overgeleverde zogenoemde 'Keulse Mani-Codex'. Deze tot een soort boek (codex) gebundelde collectie perkamentbladen werd gevonden in Egypte. Waar en wanneer is nog steeds niet precies bekend. Wel staat vast dat eind jaren zestig deze vondst op de Egyptische antiquiteitenmarkt opdook en dat de universiteit van Keulen de codex voor veel geld aankocht. In opdracht van het Keulse papyrologische instituut lukte het de Weense conservator Anton Fackelmann het onooglijke klompje perkament te openen en leesbaar te maken. Het verrassende resultaat werd in 1970 als voorlopig bericht gepubliceerd. Kort daarop verschenen nauwkeuriger edities van de achtereenvolgende gedeelten van de codex. In 1985 werd een diplomatische uitgave gepubliceerd van de inmiddels als CMC (Codex Manichaicus Coloniensis) aangeduide tekstenverzameling en in 1988 volgde een kritische editie met Duitse vertaling.

Met deze codex is nu voor het eerst een document beschikbaar dat licht werpt op de vroege jaren van Mani (216-276), de stichter van een gnostisch-christelijke wereldreligie. Uit andere bronnen was al enigszins bekend dat Mani opgegroeid zou zijn in een doperse sekte. De Keulse codex maakt nu duidelijk dat Mani inderdaad zijn jeugd doorbracht in een joodse doperse groepering in Zuid-Babylonië. Deze groepering werd gekenmerkt door bepaalde rituele wassingen van lichaam en voedsel. Ook wordt opnieuw gemeld dat zijn vader Pattikios heette. Maar vooral blijkt nu dat Mani's nieuwe wereldreligie voor een wezenlijk deel verklaard kan worden uit een reactie tegen de strenge opvattingen van deze doperse sekte. Als een vroege voorloper van Maarten 't Hart protesteerde Mani tegen het wettische milieu waarin hij opgroeide en waarin men onder meer leerde dat het kwade door God beschikt zou zijn.

Reagerend tegen dit strenge monotheïsme kwam de, waarschijnlijk manke, Mani uiteindelijk tot een consequent dualisme: er is enerzijds een eeuwig lichtrijk, een rijk van het goede, en als volstrekte tegenstelling daarvan is er een eeuwig rijk van de duisternis, van het kwade. Deze twee 'rijken' zijn in deze wereldtijd vermengd, maar hebben in principe niets met elkaar te maken. Eens zullen ze weer volkomen en dan definitief gescheiden worden. In een zeer gecompliceerde en steeds meer gevarieerde mythe hebben Mani en zijn volgelingen het ontstaan van wereld en mens volgens dit dualistische patroon getekend.

Jezus

Door de Keulse codex is nu niet alleen de werkelijke afkomst van Mani onthuld, maar zijn tevens belangrijke stukken van zijn authentieke geschriften beschikbaar gekomen. Speciaal echter maakt de CMC duidelijk, waarom de figuur van Jezus in de latere wereldreligie van het manicheïsme een zo belangrijke plaats kon innemen.

Al in de sekte van zijn jeugd heeft Mani over Jezus gehoord. De nieuwe codex geeft aan dat de streng-wettische joden in wier midden hij opgroeide Jezus als de Messias hadden erkend en dat ook de jonge Mani dit kennelijk had aanvaard. Maar zelf kwam Mani via aangrijpend geschilderde 'openbaringen' en een gnostisch geïnterpreteerd christendom (allereerst door zijn eigenzinnige uitleg van de geschriften van Paulus) tot weer nieuwe inzichten. Hij beschouwde zich als de ware profeet en tevens als de door Christus beloofde parakleet (bijstand, advocaat). Zo werd hij de stichter van een nieuwe godsdienst. Uit het zuiden van het huidige Irak verspreidde deze religie zich zeer snel tot aan de Atlantische Oceaan in het Westen (Spanje, Gallië) en uiteindelijk, allereerst via de Zijderoute, tot aan de Stille Oceaan in het Oosten (China, Taiwan). Vanaf 763 was het manicheïsme ongeveer een eeuw lang de staatsgodsdienst van Turkestan in Centraal-Azië. Nog in 1292 ontmoette Marco Polo manicheeërs in Zaïtun aan de kust van de Chinese Zee.

Dat onlangs bij de katholieke uitgeverij Herder een vertaling verscheen van het geschrift dat de belangrijkste bronnen geeft van deze gnostische tegenkerk verdient een aparte vermelding. Deze uitgave is bovendien bedoeld voor een breed publiek. De katholiek Josef Sudbrack heeft in zijn inleiding dan ook een en ander uit te leggen. Toch is hij niet slechts negatief en terecht meldt hij frappante parallellen tussen het antieke-gnostische manicheïsme en de hedendaagse 'nieuwe religiositeit'.

Sudbrack vergist zich echter wanneer hij zomaar het christendom - hij bedoelt kennelijk: het orthodoxe katholieke christendom - stelt tegenover het manicheïsme. Ook de manicheeërs hebben zich telkens beschouwd als ware christenen, zij het als gnostische christenen voor wie de Christusfiguur het innerlijke 'zelf' van de mens onthulde. Met de kort na het begin van onze jaartelling geboren jood Jezus van Nazareth had deze gestalte naar hun besef uiteindelijk weinig te maken.

Scherper wordt dit gezien door Cornelia Römer in de inleiding op haar oorspronkelijk met Ludwig Koenen gemaakte vertaling. Zij plaatst de Manicodex in zijn historische context. Hoewel eerst bericht werd dat het document gevonden was in een graf te Oxyrhynchus en later dat het afkomstig zou zijn uit Assiut, het antieke Lykopolis waar al zeer vroeg manicheeërs aanwezig waren, spreekt men nu het liefst globaal over 'Opper-Egypte'. Niet geheel duidelijk is of de huidige tekst uit de vierde dan wel het begin van de vijfde eeuw dateert. Evenmin bestaat zekerheid over de oorspronkelijke taal van het document: werd de CMC in Egypte uit het Syrisch (Oostaramees) in het Grieks vertaald of was zijn oorspronkelijke taal al Grieks? Duidelijk is in ieder geval dat dit Grieks een Aramees koloriet heeft, terwijl tevens vast staat dat dit bijzonder kleine werkje (de pagina's hebben een omvang van 3,5 bij 4,5 cm, met daarop meestal 23 regels in Griekse majuskels!) een meesterstuk is van de hoogontwikkelde manichese schrijf- en boekkunst. Totaal moet de codex omvangrijk zijn geweest; van ten minste 192 pagina's zijn ons nu resten overgeleverd.

Zendingsreis

De titel van de Mani-codex luidt vertaald: 'Over het ontstaan van zijn lichaam'. Hiermee zal allereerst Mani's aardse lichaam en leven zijn aangeduid, hoewel ook te denken valt aan de door hem gestichte gnostische kerk. Bericht wordt achtereenvolgens over Mani's jeugdjaren, over de openbaringen die hij ontving van zijn hemelse Tweeling of Compagnon, de gesprekken die hij met zijn goddelijke alter ego voerde, zijn breken met de doperse gemeenschap, het winnen van de eerste discipelen, zijn reis naar Ktesiphon, in de buurt van het huidige Bagdad, waar ook zijn vader zich bij hem aansloot, de zendingsreis eerst langs de Tigris omhoog en vervolgens tot in Azerbajdzjan en (vermoedelijk) Armenië, zijn reis naar Indië en zijn ontmoeting met de Perzische vorst Sjapoer. Hier breekt het verhaal af.

De codex is niet het werk van één auteur, maar het bevat excerpten uit geschriften van Mani's eerste leerlingen; een compilator heeft van deze getuigenissen één werk gemaakt. Het gaat in deze excerpten meestal om uitspraken van Mani zelf. Wat reeds van her en der aan teksten van deze religiestichter bekend was, is nu aanmerkelijk aangevuld.

Kennelijk heeft Mani herhaaldelijk en uitvoerig met zijn volgelingen gesproken over zijn inzichten en hun steeds opgedragen alles op te schrijven. Mani wilde niet vervallen in de fout van eerdere 'godsdienststichters' zoals Mozes, Jezus, Boeddha en Zarathustra die hierop niet hadden gelet en wier geschriften daarom naar zijn mening waren vervalst. Aan de basis van de manichese boekreligie kwam een zorgvuldig overgeleverde canon van geschriften van de stichter zelf.

Uit een van deze geschriften wordt nu in de CMC een aantal belangrijke stukken overgeleverd, namelijk uit Mani's eigen Evangelie. Eerder was al bekend dat dit uit tweeëntwintig delen moet hebben bestaan, overeenkomstig de letters van het Syrische alfabet, maar nu zijn ook enkele vrij uitvoerige passages uit de inleiding en (wellicht) de latere delen ter beschikking gekomen. Het begin van Mani's Grote Evangelie is karakteristiek genoeg om te worden vermeld:

Ik, Mani, apostel van Jezus Christus

door de wil van God de Vader der waarheid, uit wie ik geworden ben;

Hij die leeft en blijft in alle eeuwigheid, die voor alles was en na alles zijn zal. Alles wat geworden is en wat worden zal, bestaat door zijn kracht.

Uit hem ben ik geschapen

en ik ben uit zijn wil.

Uit hem werd mij alle waarheid onthuld en ik ben uit zijn waarheid.

Dit doet sterk denken aan bepaalde bijbelpassages terwijl het ook parallellen vertoont met andere joodse en christelijke geschriften. Het meest evident is evenwel de imitatie van Paulus. Vrijwel letterlijk vindt men de openingswoorden van Mani's Evangelie terug aan het begin van Paulus' brieven. De vroeger dikwijls als 'Pers' ge(dis)kwalificeerde en allermeest met Zarathustra's dualisme geassocieerde Mani zag zich als apostel van Jezus Christus en was daarin een navolger van Paulus.

Uit de nieuwe Mani-codex blijkt meer dat herinnert aan christelijke en dan vooral paulinische inspiratie, maar evident is ook het joodse en vooral het jodenchristelijke element. Met dit laatste wordt bedoeld dat de sekte van Mani's jeugd bestond uit een groepering onder de Babylonische joden die weliswaar Jezus als de Messias had aanvaard, maar tegelijk vasthield aan haar overgeleverde joodse leringen en levensstijl.

Hoewel deze joodse identiteit voor een belangrijk deel afweek van het contemporaine rabbijnse jodendom, bleef zij dragend fundament. Ook deze joden noemden hun godsdienst de Wet, beriepen zich met nadruk op voorvaderlijke tradities en onderhielden streng de sabbat. Tevens wasten zij zich dagelijks op rituele wijze en reinigden zo eveneens hun voedsel. Ook diverse namen van Mani's eerste volgelingen verwijzen naar joods milieu. Dat geldt eveneens voor de vijf joodse apocalyptische geschriften die in de codex worden genoemd en gedeeltelijk geciteerd.

Snelle verspreiding

Hoezeer het manicheïsme zich eeuwenlang op het wereldtoneel heeft gemanifesteerd als een syncretistische religie, maakt vooral het boek van Lieu duidelijk. In een boeddhistische omgeving was het verregaand boeddhistisch, in het Perzische wereldrijk verregaand in overeenstemming met de leringen van Zoroaster, in het christelijke Romeinse imperium nauwelijks van katholiek christendom te onderscheiden. Lieu beschrijft met vaardige hand en een vrijwel ongeëvenaarde kennis van de bronnen allereerst het ontstaan van het manicheïsme in het jodenchristelijke milieu van Zuid-Mesopotamië. Vervolgens tekent hij de snelle verspreiding van deze gnostische religie naar het Westen, in het bijzonder in het Romeinse imperium dat vanaf keizer Constantijn het christendom had aanvaard en later zelfs tot staatsgodsdienst zou verheffen. Juist in het Westen wordt eeuwenlang op leven en dood geworsteld tussen de orthodoxe katholieke kerk en de gnostische manichese kerk. Een excellent voorbeeld van deze worsteling blijkt Augustinus (354-430), de latere katholieke kerkvader die zeker tien jaar manicheeër was en de sporen van dit gnostische verleden blijvend meedroeg.

Ook voor Lieu is het zeer de vraag of Westerse 'ketters' als Paulicianen, Bogomielen en Katharen directe afstammelingen waren van de manicheeërs. Opmerkelijk blijft dat al deze dissidenten aangeduid werden als 'manicheeërs'. Voor de orthodox-katholieke machthebbers was 'manicheïsme' eeuwenlang de meest fatale naam waarmee een afwijkende mening gebrandmerkt kon worden. Dat oordeel trof nog in de zestiende eeuw Luther.

Hoezeer de buitenstaander moeite gehad moet hebben om katholicisme en manicheïsme uit elkaar te houden, wordt opnieuw geïllustreerd door de jongste ontdekkingen. Lieu meldt er in zijn inleiding nog kort iets over, maar juist de achterliggende maanden brachten onverwacht materiaal. Sinds enkele jaren verricht een Australisch onderzoeksteam opgravingen in de Dakhleh-oase, zo'n 800 km ZZW van Caïro. Op de plaats van het antieke Kellis werd een aanzienlijke hoeveelheid manichese teksten gevonden, waaronder zelfs fragmenten van authentieke brieven van Mani. In het laatstverschenen nummer van het contactorgaan van de onlangs opgerichte International Association of Manichaean Studies geeft Iain Gardner een samenvattend overzicht. Deze teksten - in het Koptisch, Grieks en nu ook in het Syrisch - bewijzen opnieuw hoezeer de manichese gnostiek een plaats toekende aan de Christusfiguur als degene die de verlossende kennis bracht. Na de Mani-codex belooft deze vondst de belangrijke ontdekking van onze jaren te worden.

    • Hans van Oort