Groot-Manchester profileert zich als stad van het toneel

Manchester is dit jaar theaterstad, City of Drama. Het nieuwe toneelstuk van de Brit Peter Brook, ook onderdeel van het Holland Festival, gebaseerd op Oliver Sachs' boek De man die zijn vrouw voor een hoed aanzag, ging er in première.

MANCHESTER, 26 MAART. Het begrip 'Manchester' roept in het Britse bewustzijn strijdige emoties op. Aan de ene kant staat Manchester voor 'het Noorden', voor 'grote-stad-met-kleinsteedse-informaliteit' waar, anders dan in Londen, de conducteur op de tram je nog groet. Dat is het Manchester van Coronation Street: een fictieve naam voor een wereld die velen zich nog nét herinneren. Maar aan de andere kant staat Manchester voor drugscultuur, voor geweld en opstootjes in beruchte woonkazernewijken als Moss Side en voor de dagen durende opstand in de Strangeways-gevangenis, die moord en grootscheepse vernielingen met zich meebracht.

Dit Manchester is de stad die zich aan de eigen veters omhoog heeft getrokken en tot twee keer toe een bod heeft gedaan om in aanmerking te kunnen komen voor de Olympische Spelen. De laatste keer verloor het, op het nippertje, van Sydney. De gezamenlijke inspanning en de gedeelde teleurstelling hebben in Manchester geleid tot 'een definitief gevoel van saamhorigheid tussen de kunstinstellingen en de zakenwereld', zegt David Plowright. Hij was tot voor kort de baas van Granada Television, het in Manchester gevestigde commerciële televisiestation dat onder Plowrights regime verantwoordelijk was voor zulke produkties als Brideshead Revisited en - onvermijdelijk - Coronation Street. Hij is ook de broer van Joan Plowright, de actrice, met wie hij een opmerkelijke gelijkenis vertoont, en daarmee meteen de zwager van wijlen Sir Laurence Olivier. Plowright weet, zegt hij, hoe hij in kunstkringen in Londen aan belangrijke touwtjes moet trekken.

Die invloed manifesteert zich in de keuze die de Britse Arts Council voor dit jaar heeft gemaakt. Manchester - City of Drama is een eerbetoon aan de diversiteit en hoeveelheid van theaters, theatergezelschappen, straattheatergroepen en algemene inspanningen voor dramatische kunst, die in Manchester levendig worden gehouden. De accolade is afkomstig van de Britse Arts Council, de instelling die de taak heeft het beschikbare overheidsbudget voor kunst onder een breed scala van kunstinstellingen te verdelen.

In de aanloop tot het jaar 2000 krijgt elke tak van kunst een eigen locatie met extra subsidie toegewezen. Vorig jaar was Birmingham stad van de muziek, dit jaar is Manchester stad van het toneel. Die betiteling heeft ervoor gezorgd dat tot in de verre omtrek van de stad - een gebied met tien kleinere steden dat wordt aangeduid met de algemeen gehate naam 'Greater-Manchester' - àlle kunsten zich inspannen om mee te kunnen profiteren van Manchesters profilering. Zo gaat de muziekwereld prat op de voltooiing, in 1996, van een nieuw onderkomen voor het Hallé Orchestra, een concerthal met 2400 plaatsen. Met trots wordt ook gerefereerd aan het Royal Exchange Theatre, een theater- en muziekruimte die, als was het een ruimtestation, aan spinvormige metalen balken is opgehangen in de voormalige katoenbeurs - waar vroeger 9000 handelaren zaken deden op grond van de afslagprijzen die nog steeds op de borden staan. In 1968 sloot Manchester ook dit stukje van zijn industriële verleden af.

In een plaats als Oldham, in het midden van de negentiende eeuw verrezen rond de 345 katoenspinnerijen die hier het landschap bepaalden, spreekt de economische neergang sindsdien uit elk onderdeel van het straatbeeld. Desondanks was hier het afgelopen weekend, in het kader van het Manchester City of Drama programma, een muziekfestival van nationale importantie, gewijd aan de Engelse componist Isaac Walton, die in Oldham is geboren. Het festival werd gehouden in het enig overgebleven plaatselijke theater dat door het merendeel working class-publiek gekoesterd wordt als een persoonlijk eigendom. Van amusementsshows tot klassieke stukken: hetzelfde publiek zorgt voor een permanente bezettingsgraad van boven de 75 procent.

Maar het hoogtepunt van het moment ligt in Manchester zelf, waar op 17 maart de toneelproduktie The man who..., een toneelstuk van Peter Brook, zijn Britse première beleefde. Brooks stuk is gebaseerd op Oliver Sachs' boek The man who mistook his wife for a hat en de persmedewerker van het National Theatre in Londen had vorige maand gewaarschuwd: “Als je daar naartoe wilt, zul je in Newcastle of zoiets veraf gelegens moeten gaan kijken, want in Londen zijn de kaartjes nu al goud waard.”

Misschien waren de verwachtingen dus te hoog gespannen of mogelijk kan een niet-Brit de verering niet navoelen die de Britse, al lang in Parijs gevestigde Peter Brook hier algemeen ten deel valt. Misschien ook was het gewoon een kwestie van 'boek gelezen - dus film viel tegen'. Maar The man who..., die straks ook in het Holland Festival naar Nederland zal komen, beroerde mij niet in het minst.

Op een vrijwel leeg toneel, met alleen twee videocamera's, twee stoelen en twee tafels als decor, laat Brook de patiënten uit Sachs boek opkomen en hun neurologische beschadiging demonstreren. De vier acteurs, van wie er slechts één van nature Engels spreekt (de anderen zijn Frans-, Japans- en Duitstalig) wisselen voortdurend de rollen van dokter en patiënt. De vertoning wordt daarmee nog extra klinisch. De karakters ontberen elke persoonlijkheid. En nergens dient de dramatische vorm om de opeenvolging van case-histories van patiënten tot één geheel te maken of zin te geven. Alleen de videobeelden op het eind, van doorsneden van de herseninhoud, suggereren de kijker dat er een andere wereld, een andere werkelijkheid bestaat, waartoe wij met al onze kennis en als ons vermogen tot rationalisatie geen toegang hebben.

In een interview had Peter Brook vorige maand gezegd dat het hem zes jaar van vallen en opstaan gekost heeft om deze produktie geloofwaardig op toneel te krijgen. Nu zat de grote man zelf in de zaal en na afloop werd hem gevraagd waarom hij zolang had nodig gehad.

Brook reageerde geprikkeld. “Zag het eruit of het in één dag in elkaar was gestoken?” Dat niet helemaal, maar het was wel de achterliggende suggestie bij de vraag.

De regisseur ontdooide bij de vraag of het gedrag van zijn toneelfiguren/ patiënten verwees naar een onderliggende actualité , die in de oertijd misschien nog grijpbaar is geweest. Dat was heel wel mogelijk, beaamde hij. En hij voegde er aan toe dat zijn acteurs lang, héél lang nodig hadden gehad voor ze uitgestudeerd waren op het soort patiënten dat ze op toneel moesten uitbeelden. Oliver Sachs zelf had de eerste aarzelende pogingen van hun kunnen al prachtig gevonden, maar dat was hem niet genoeg geweest.

Toen Brook al lang in een taxi was verdwenen, waren de achterblijvende critici het over één ding eens: zelfs als je zo beroemd was kon je zéér onzeker blijven. En de Japanse acteur, die was achtergebleven met een biertje, voegde aan die conclusie het zijne toe. Was hij, zei hij, ècht wel goed geweest die avond?