Geheime stukken overheid gaan niet in apart archief

DEN HAAG, 26 MAART. Onder zware druk van de ministers Van Thijn (binnenlandse zaken), Lubbers (algemene zaken), Ter Beek (defensie), Kooymans (buitenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie) is begin deze week de behandeling van de nieuwe archiefwet van minister d'Ancona (WVC) van de Tweede-Kameragenda afgevoerd. Volgens een raadsadviseur bij het ministerie van algemene zaken is daartoe besloten omdat d'Ancona heeft gehandeld tegen de belangen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de Militaire inlichtingendienst en de Inlichtingendienst Buitenland.

Volgens de raadsadviseur is d'Ancona bij het parlementaire vooroverleg over de nieuwe wet te snel en te royaal tegemoetgekomen aan de wens van de vier grote kamerfracties om in Nederland tot één groot, grotendeels openbaar overheidsarchief te komen, zonder sub-archieven bij de afzonderlijke ministeries. In het ontwerp van de nieuwe Archiefwet, die de oude wet van 1962 moet vervangen, is bepaald dat de termijn waarbinnen overheidsarchieven openbaar worden wordt ingekort van vijftig tot twintig jaar. Na twintig jaar zouden dan alle overheidsstukken - voorzover zij nog niet zijn vernietigd, omdat ze van geen belang zijn - naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag worden overgebracht.

Alle betrokken instanties (ministeries, de Tweede Kamer en het achiefwezen) zijn hier zeer verheugd over.

Maar voor medewerkers van de rijksarchiefdienst is het een bittere pil dat minister d'Ancona onder druk van diverse inlichtingen- en veiligheidsdiensten “archiefbescheiden die gegevens bevatten waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten wordt geboden” van overbrenging naar het Rijksarchief zou moeten uitsluiten. De Tweede Kamer en de minister zelf zijn daar sterk op tegen.

Volgens het Tweede-Kamerlid G. Valk (PvdA) die een warm voorstander van de nieuwe Archiefwet is, kunnen meer dan twintig jaar oude, maar nog steeds als geheim gekwalificeerde overheidsdocumenten prima door het Algemeen Rijksarchief in Den Haag worden bewaard. De vier grote fracties in de Kamer hadden er bij het vooroverleg over de nieuwe wet dan ook sterk op aangedrongen geen uitzonderingsbepalingen voor de overbrenging van archiefstukken te maken en eenheid in het archiefbeheer te brengen door alle materiaal op één plaats onder te brengen.

Bij het ministerie van buitenlandse zaken denkt men daar anders over. L.P.G. van Velzen, die speciaal is belast met de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur, wijst erop dat heel wat overheidsstukken, bijvoorbeeld die over de Navo en over internationale verdragen, praktisch altijd geheim blijven. De verantwoordelijkheid over geheime stukken kan naar zijn mening niet aan derden worden overgedragen.

Er is na twintig jaar niet zo erg veel meer wat volgens de uit 1989 daterende 'Aanwijzingen voor beveiliging staatsgeheim en vitale onderdelen van de rijksdienst' dan nog 'confidentieel', 'geheim' of 'zeer geheim' is, en het merkteken Stg moet hebben. Maar voor het beheer van wat na zo lang nog steeds als staatsgeheim wordt gerubriceerd, willen de vijf departementen en hun ministers die zich tegen d'Ancona's nieuwe archiefwet keerden, zelf verantwoordelijk blijven.

B. de Graaf die in Den Haag als historicus werkzaam is bij het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, vreest dat elk ministerie nu eigen regels gaat maken over de omgang met geclassificeerde archiefstukken en er “van die heel rekbare, caoutchouc-bepalingen komen over wat in het belang van de veiligheid van de staat is. Het nadeel van het gebrek aan vertrouwen in de rijksarchiefdienst is dat er geen eenheid in archiefbeheer komt, dat diverse ministeries eigen geheime archieven blijven hebben, en dat serieuze geïnteresseerden daar zelfs met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur moeilijk kunnen nagaan wat wel of niet geheim is.” Van Velzen van Buitenlandse Zaken betwist dat laatste. Op de leeszaal van het ministerie kan iedereen precies nagaan welk materiaal wel en welk niet is te raadplegen. En is iemand het niet eens met de geheimhouding, dan kan hij altijd nog proberen om openbaarheid via de rechter af te dwingen.

Rijksarchivaris F.C.J. Ketelaar, aan wie door d'Ancona het opstellen van de nieuwe wet was gemandateerd, vindt het “niet opportuun” nu iets over de recente lotgevallen van het wetsontwerp te zeggen. L. Lieuwes, secretaris van de Rijkscommissie voor de archieven, een onafhankelijk adviesorgaan van de minister van WVC, wil dat wel. Volgens hem is het onjuist als geheime stukken zonder meer apart en buiten het beheer van het centrale Rijksarchief zouden worden gehouden. “In dat geval”, aldus Lieuwes, “ontbreekt het moment van toetsing over wat geheim is en moet blijven. Dan kan iedere minister precies zelf gaan uitmaken of en wanneer er een eind komt aan de geheimhouding van overheidsdocumenten. Wat je ziet is dat er ook in Nederland een sterke overwaardering van staatsgeheimen bestaat, en een grote koudwatervrees dat die geheimen zouden kunnen worden geschonden. Het vermogen van de rijksarchiefdienst om die stukken te beheren, wordt miskend.”

Niet alle documenten die in het Rijksarchief zijn of na verloop van 20-30 jaar worden ondergebracht, zijn openbaar. “We hebben hier een zestig paginas tellende brochure over beperkingen op de openbaarheid”, zegt R.C. Hol van de centrale directie van de Rijksarchiefdienst. “Het register van de successierechten blijft honderd jaar dicht, voor justitie-archieven geldt 75 jaar. Verder zijn er bijvoorbeeld beperkingen voor de stukken van de Centrale raad voor de kernenergie; die kunnen niet zonder bijzondere toestemming worden geraadpleegd.”

Hol noemt het begrip geheim “een heel weerbarstig begrip”. “Niets is voor altijd geheim, maar in het ene land blijft informatie langer geheim dan in een ander land. Engeland met zijn Official secret act is bijvoorbeeld strenger dan wij hier.” Op de vraag of het Rijksarchief wel geschikt is als bewaarplaats van documenten die volgens de overheid nog geheim zijn, zegt Hol dat dit een kwestie van goed vertrouwen is. Medewerkers van de rijksarchiefdienst worden naar hij vertelt, weliswaar niet speciaal gescreend op de omgang met vertrouwelijk of geheim materiaal, maar “men moet van me aannemen dat we die verantwoordelijkheid heel goed aan kunnen”.

    • Frits Groeneveld