'Een autocoureur moet hardlopen en fietsen, zwemmen is funest'

ROTTERDAM, 26 MAART. Oud-autocoureur Gijs van Lennep noemt het rijden in een Formule 1-wagen een onvergelijkbare ervaring. “In een raket naar de maan schieten, misschien komt dat in de buurt.” Op autosportgebied, beweert hij met grote stelligheid, bestaat er “beslist niets mooiers”. “Sneller kan niet. En technisch is de Formule 1 ook het absolute einde.”

Van Lennep weet waarover hij praat. Zeven keer zat hij achter het stuur van een Formule 1-wagen. Een week nadat hij in 1971 de '24 uur van Le Mans' had gewonnen, reed hij op het circuit van Zandvoort zijn eerste Grand Prix. In de regen finishte hij in zijn Surtees als achtste, nog vóór de drie wereldkampioenen Hill, Hulme en McLaren. Tweemaal, op Zandvoort in '73 en op de Nürburgring in '75, eindigde hij zelfs als zesde. Daarna hield hij de racerij voor gezien. Tegenwoordig geeft Van Lennep (52) cursussen in veilig rijden en begeleidt hij jeugdige talenten voor de Citroën AX-Cup.

Rijden in een Formule 1-wagen is niet moeilijk, legt hij uit. “Iedereen kan een rondje maken over het circuit. De bediening lijkt op die van een gewone auto. Het verschil zit hem in de 800 PK onder de rechtervoet. De eerste keer dat je het gaspedaal intrapt, schrik je je een ongeluk. In twee tellen rijd je meer dan honderd.”

Werkelijk hard rijden in een Formule 1-bolide is volgens de instructeur slechts weinigen gegeven. “Je hebt de conditie van een marathonloper nodig en de explosiviteit van een 100 meter-sprinter. Zonder dat red je het beslist niet. Tijdens de race spuit de adrenaline door het lichaam. De hartslag van een coureur loopt op tot zo'n 180 slagen per minuut, bij slecht weer zelfs tot over de 190. Door het warme brandwerende pak en de inspanning verlies je veel vocht. Hou dat maar eens tachtig ronden vol.”

Remmen en sturen gaan zwaar in een racewagen. In de bochten staan de nek en de benen van een coureur bloot aan enorme zijdelingse krachten. Van Lennep: “Tot vijf keer het eigen lichaamsgewicht. Als je niet beresterk bent, breek je gewoon je nek. Met hardlopen en fietsen kweek je conditie. Zwemmen is funest voor een coureur. Daar krijg je lange spieren van. Een coureur moet heel snel kunnen reageren. Door krachttraining met lichte gewichten krijg je explosieve spierkracht.”

Over autoracen bestaan veel misverstanden, beweert Van Lennep. De televisie vertekent het beeld van de Formule 1. “Het is geen sport voor waaghalzen. Aan lefgozers heb je niets. Een coureur moet over een goede mentaliteit beschikken. Nuchter de grenzen durven opzoeken, daar gaat het om”.

Aan snelheden boven de driehonderd kilometer wen je “gigantisch snel”. Een kwestie van goede ogen, concentratievermogen en op tijd en met de juiste snelheid de bochten insturen. “Gelukkig zijn de circuits en de auto's veel veiliger tegenwoordig.” De vergrote zandbakken, de dubbele rij autobanden langs de baan en de keiharde Kevlar-carrosserieën hebben veel bijgedragen aan de verhoogde veiligheid. “Als je in mijn tijd de hekken invloog, dan liep je nog de kans je benen te moeten missen.”

Jos Verstappen gaat een gouden toekomst tegemoet. Als hij morgen in Brazilië zijn eerste Grand Prix-race weet uit te rijden, eindigt Verstappen bij de eerste zes, voorspelt Van Lennep. “Zijn mentaliteit deugt. Hij is slim, conditioneel ijzersterk en heeft verstand van de moderne techniek. Ook heeft Jos precies het goede postuur voor een Formule 1-auto. Niet te lang en niet te zwaar.” Dat de Limburger pas tweeëntwintig is, zegt hem niets: “Een ster komt altijd vlug, zeker in de autosport. Over twee jaar kent iedereen Jos Verstappen, let maar op.”