Droom van Tomás Bata gaat in vervulling

DOLN'I NEMC'I, 26 MAART. Verscholen in de heuvels in het oosten van Moravië, dicht bij de grens met Slowakije, valt de jongste loot aan het machtige Bata-concern, de grootste schoenmaker en schoenverkoper ter wereld, nauwelijks op: een klein, uit enkele lage witte gebouwtjes bestaand fabriekje, waar nog geen vijfhonderd mensen werken.

Maar hier, in Doln'i Nemc'i, gaat een deel van de droom van de nu bijna 90 jaar oude Tomás Bata, de zoon van de grondlegger van het bedrijf, in vervulling. Toen de oude heer vlak na de Fluwelen Revolutie in 1989 voor een triomfantelijk bezoek terugkeerde naar zijn geboorteland, bleek hem al gauw dat het zinloos was het gigantische fabriekscomplex in de stad Zlín, dat ooit, in de jaren dertig, synoniem was voor dynamisch en visionair ondernemerschap, terug te kopen. Voor restitutie kwam Bata immers niet in aanmerking: het Bata-bedrijf in Zlín werd al direct na de oorlog genationaliseerd (en omgedoopt in 'Svit' - lichtstraal) omdat de toenmalige eigenaar, de tijdens de oorlog naar Brazilië uitgeweken Ján Bata, de halfbroer van de in 1932 bij een vliegtuigongeluk omgekomen oprichter, zich nooit aan de kant van de Tsjechoslowaakse regering-in-ballingschap van Edward Benes had geschaard, maar altijd heimelijk op een uiteindelijke overwinning van het Derde Rijk had gegokt.

Via Engeland was de jongere neef van Jan, Tomás, met medeneming van een deel van het machinepark en een honderdtal Tsjechische Bata-specialisten uiteindelijk in Canada terechtgekomen, waar hij in een recordtijd een nieuwe schoenfabriek oprichtte, Batawa, die zich ontwikkelde tot het nieuwe hoofdkwartier van de multinational, een bedrijf met zo'n 70.000 werknemers in negentig landen.

In plaats van aan te dringen op restitutie van het vroegere Bata-bezit beperkte Bata zich er in 1990 dan ook toe voor een bedrag van 10 miljoen dollar 29 Tsjechische staatswinkels, plus het fabriekje in Doln'i Nemc'i, een filiaal van Svit, te verwerven. De inmiddels tot 43 vestigingen uitgegroeide winkelketen bloeit: het afgelopen jaar werden er meer dan drie miljoen paar schoenen verkocht. Doel is de eerste te worden in de branche van de schoenendetailhandel door in de hoofdstraat van elke grote stad in Tsjechië een Bata-winkel te vestigen.

De produktiekant is vooralsnog bescheiden: in Doln'i Nemc'i worden per jaar ongeveer 1 miljoen paar schoenen geproduceerd, waarvan 35 procent is bestemd voor de export. Pavel Kos, de manager van de fabriek, een ouwe getrouwe van het Bata-concern, Tsjech van oorsprong, maar sprekend met een onmiskenbaar Oxford-accent, weet de vraag over de winstcijfers diplomatiek te vermijden: “Daar is het nu nog te vroeg voor.”

De fabriek in Doln'i Nemc'i, in 1974 opgericht, is grondig veranderd in de paar jaar dat ze nu door Bata wordt bestuurd. Kos: “De mensen hier waren gewend om soms zes maanden achter elkaar één model te produceren, voor export naar de Sovjet-Unie. Daar vroegen ze geen kwaliteit, maar vooral kwantiteit. In totaal hadden ze niet meer dan zes modellen. Dat is nu wel anders. Nu hebben we een moderne design-afdeling, we letten scherp op de marketing, we hebben een eigen model ontwikkeld, Moravia, en we spelen in op de verlangens van de markt. Die is vaak verbaasd over de kwaliteit van het voetwerk dat we hier produceren.”

Bij de omscholing van het personeel is vooral de nadruk gelegd op de motivering om goed werk af te leveren, vertelt Patrick Kielty, de manager voor 'human resources'. “In vergelijking met andere landen is de vakbekwaamheid van de mensen in dit gebied bijzonder hoog, maar het beloningssysteem in de tijd dat dit nog een Svit-fabriek was werkte demotiverend. Wij hanteren de Bata-standaard voor de meting van de produktiviteit en die is gebaseerd op trots op het werk, vakbekwaamheid en kwaliteit. De mensen die hier werken keren terug tot de wortels van Bata: de kunst om goede schoenen te maken voor een redelijke prijs.”

In de fabriek in Doln'i Nemc'i staan nog verscheidene machines die dateren uit de jaren dertig, toen Bata zelf de hele toelevering, van grondstoffen en machines, tot elektriciteit toe, in eigen handen had. Aan zo'n leersnijmachine staat de 40 jaar oude Jaroslav Bahulik, die kortgeleden in Frankrijk een bijscholingscursus heeft gevolgd in het kader van een uitwisselingsprogramma om de vakbekwaamheid te verhogen.

“We hebben zonder enige moeite de Franse produktiviteitsnormen gehaald”, vertelt Bahulik, “het enige verschil is dat het materiaal waarmee ze daar werken beter is dan wat wij hier hebben. Sinds Bata deze fabriek heeft overgenomen werken de mensen met veel meer plezier: de modellen zijn mooier, de organisatie is beter, alles is veel overzichtelijker geworden en niemand hoeft meer bang te zijn.”

Het vroegere concept van Bata om alles in eigen beheer te produceren is overigens al lang verlaten, vertelt Pavel Kos. “De markt is veel ingewikkelder geworden, de winkels moeten in hun aanbod steeds flexibeler zijn en dat betekent dat de producent heel alert moet kunnen reageren. De markt is volkomen onvoorspelbaar, we groeien ondanks de recessie, maar het kan zo weer omslaan.”

Kos noemt het voorbeeld van de Italiaanse schoenindustrie: “Die heeft vooral zo'n succes omdat ze beschikt over een heel netwerk van kleine leveranciers.” Naar autarkie streeft Bata dan ook niet meer, sterker nog, bepaalde onderdelen betrekt de fabriek uitgerekend van de bakermat van Bata, het Svit-bedrijf in Zlín, dat sinds 1991 verwikkeld is in een moeizaam privatiseringsproces.

Over een terrein van 40 hectare staan niet minder dan 120 gebouwen die samen ooit het Svit-(voorheen Bata)-bedrijf vormden: de stad Zlín doet, ook qua sfeer, daarom nog het meest denken aan een uit de hand gelopen industrieterrein, met veel onverwachte spoorwegovergangen, voetgangerstunnels, eindeloze muren, afrasteringen, hekken en toegangspoorten van fabrieken in het straatbeeld. In de Svit-fabrieken valt in de eerste plaats op hoe donker het er is, in vergelijking met de Bata-fabriek in Dolní Nemc'i. De gebouwen mogen dan wel in de jaren dertig de meest vooruitstrevende architectuur hebben vertegenwoordigd, maar sindsdien is er ook niets veranderd.

In het hoofdgebouw van Svit, dat in 1938 is voltooid en vooral faam geniet wegens de kamergrote directielift, een compleet kantoor met bureau, telefoon, wastafel, legt Jaroslav Stokláska, de woordvoerder van het bedrijf, de moeilijkheden uit. “We zijn begonnen het hele Svit-conglomeraat op te delen in 22 economisch onafhankelijke vestigingen. In de tweede fase hebben alle secundaire onderdelen, de dienstverlenende bedrijven zoals de elektriciteitscentrale, de machinefabrieken, de wasserijen, de voedseldistributie, het bouwbedrijf, het ziekenhuis en het vliegveld, een eigen juridisch onafhankelijke status gekregen. De derde fase was om alle produktie-eenheden die te maken hebben met de fabricage van schoenen als dochters van een holding bijeen te brengen. Vanuit het centrum wordt ervoor gewaakt dat die elkaar niet gaan beconcurreren.”

Van de oorspronkelijk 15.000 werknemers is het schoenbedrijf afgeslankt tot 8.000. Dat is vooral door natuurlijke afvloeiing gebeurd, terwijl overtollige werkkrachten vaak terecht konden bij de verzelfstandigde dochterbedrijven. De omzet van het bedrijf is onbekend, zegt Stokláska, maar dat het bedrijf in grote financiële moeilijkheden verkeert is geen geheim. “Vroeger was onze afzet voor 30 procent gegarandeerd door de afname van de Sovjet-Unie, maar die is sinds 1990 gestopt omdat er niet langer betaald werd. We zitten dus in een vicieuze cirkel: wij kunnen onze schuldeisers niet betalen omdat wij niet worden betaald. De Russen staan voor 40 miljoen dollar bij ons in het krijt. Nu produceren we alleen wat wordt besteld en wat wordt betaald, er zijn dus grote moeilijk te verkopen voorraden.”

De allergrootste handicap van Svit is echter dat het bedrijf nooit in aanraking is geweest met de wereldmode. Stokláska: “De eisen van de Sovjet-klanten waren nooit erg hoog en het kost tijd om een moloch als dit bedrijf aan te passen aan de wereldmarkt. Maar de verzelfstandiging stelt de dochterbedrijven in staat zich aan te passen aan die hoge eisen. Tegelijkertijd houden we onze contacten met Rusland in het oog.”

De produktie van Svit is nu voor de helft gericht op de Tsjechische markt waar, naar Stokláska gelooft, de consument teleurgesteld raakt door Westerse schoenen die duur zijn en vaak slecht van kwaliteit. “Iemand die vier, vijf paar schoenen per jaar koopt schenkt aan de kwaliteit niet zoveel aandacht. Onze schoenen zijn in de eerste plaats sterk, nu moet het design nog beter. Onze ervaring is: als de hoef maar goed is, dan is de hele schoen goed.”

Stokláska heeft er alle vertrouwen in dat de nieuw-opgezette ontwerpafdeling succes zal hebben: “We nemen deel aan alle toonaangevende beurzen en hebben het voordeel van onze lage arbeidskosten.” De concurrentie van Bata in Doln'i Nemc'i vreest Stokláska niet: “Ach, dat is een hele andere categorie, die maken niet meer dan een miljoen paar per jaar...”