Dicht bij huis

Bij de discussie over het concurrentievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven lijkt het of dat louter van de AOW afhangt.

Er wordt aan voorbijgegaan dat het concurrentievermogen van een onderneming in de eerste plaats door het management wordt beïnvloed. De meeste managers zien hun onderneming allesbehalve als een charitatieve instelling. Zij trachten goede mensen en middelen zo goedkoop mogelijk te verwerven om goede produkten en diensten zo duur mogelijk af te zetten. Als het echt moet houden zij contact met het ministerie van economische zaken maar liefst niet. Verder blijven ondernemers bij voorkeur dicht bij huis. Baggeren in Bangladesh, laat staan fuseren met een Belgisch bankbedrijf doe je niet voor je plezier.

Als we EZ moeten geloven, is het Nederlandse concurrentievermogen rampzalig gedaald en gaan Zuid-Oost Azië, Latijns Amerika en China ons de das omdoen. Het is blijkbaar crisis. Het zou mij niet verbazen dat het ministerie cursussen Chinees subsidieert, want dan kunnen alle oplettende ondernemers te weten komen dat het woord Crisis in die taal uit de karakters Gevaar en Kans bestaat.

Een van die kansen is beïnvloeding van de arbeidsproduktiviteit. Een tweede is de vaderlandse concentratie op dienstverlening. Een gevolg van beide elementen is dat Nederland het veel minder van de wereldhandel moet hebben dan ons door Den Haag wordt voorgespiegeld. Onze tuin reikt niet verder dan de buitengrenzen van de Europese Unie.

The Economist berichtte een half jaar geleden over een onderzoek van het McKinsey Global Institute waaruit blijkt dat het concurrentievermogen van de Amerikaanse industrie ten opzichte van Japan en Duitsland er in 1990 lang niet zo verdrietig uitzag als president Clinton wil doen geloven. Van negen onderzochte industrietakken lag de Amerikaanse arbeidsproduktiviteit in vijf gevallen lager dan de Japanse, maar in geen enkel geval lager dan de Duitse. Opvallend in het onderzoek was de omvang van de verschillen. In de staalsector is de Japanse arbeidsproduktiviteit 40 procent hoger dan de Amerikaanse, in de voedingsmiddelenindustrie is de Japanse ongeveer een derde van de Amerikaanse. De Duitse bierbrouwers zijn half zo produktief als de Amerikaanse. Dat zijn geen geringe verschillen. Hoe komt dat? Sommige oorzaken liggen voor de hand. Vergevorderde assemblageprocessen zijn de grondslag van de Japanse voorsprong op gebieden als staal, auto's en auto-onderdelen, metaalbewerking en consumentenelektronica. De gewoontes van de Amerikaanse consument blazen in dat technologische stimulansen in de voeding- en drankensectoren zichzelf terugverdienen. Er zijn geen significante verschillen gemeld in het opleidingsniveau van de werknemers. Kennelijk zijn de meeste produktiviteitsverschillen het gevolg van een reeks huis-tuin-en-keuken-beslissingen die op het niveau van het management zijn genomen. En dat kijkt gewoonlijk eerder naar andere zaken dan naar de wereldhandel.

Dat hoeft geen doodzonde te zijn, temeer daar de Westerse economieën het steeds meer van de dienstensector moeten hebben. In de Verenigde Staten komt meer dan 70 procent van het BNP uit de dienstensector; in Duitsland, van oudsher een industrieland, 57 procent. Nederland zit daartussen. Van General Motors zou je denken dat het vooral autoruiten en staal inkoopt, maar nee: de grootste leverancier is de zorgverzekeraar Blue Shield. En topman Akio Morita van Sony zei onlangs dat 'de dienstensector alleen kan overleven voorzover er een industrie is die bediend kan worden'. Inderdaad, maar de helft van Sony's omzet bestaat uit film, muziek, ontwerpen, marketing en service.

Ten minste de helft van de verkoopprijs van veel goederen bestaat uit diensten. Daarom kan Morita's uitspraak wat genuanceerd worden: het is een beetje kortzichtig om bij de discussies over de wenselijkheid van een industriepolitiek alleen naar de (zware) industrie te kijken. Verbetering van het ondernemersklimaat voor de dienstensector heeft evenveel, zoniet meer invloed op het concurrentievermogen. Aangezien diensten proportioneel minder ver reizen dan eindprodukten en halffabrikaten is het aanleren van Chinees op zijn minst voorbarig.

    • Wynold Verwey