De lotgevallen van de Heer

Christendom en islam annexeren de God van het jodendom, maar blijft hij onder de bedrijven door dezelfde?

De transcendente, sprekende en barmhartige God komt bij alle drie godsdiensten voor. Maar elk worstelt er op zijn eigen manier mee.

Karen Armstrong: A History of God. From Abraham to the Present 511 blz., Heinemann 1993, ƒ 58,80

In de tijd dat ik theologie studeerde, was God zozeer 'de gans andere', dat alleen al de vraag of God bestaat werd beschouwd als een gebrek aan geloofsinzicht. Allicht spitst iemand dan de oren als hij een boek tegenkomt dat A History of God heet. Dat lijkt al helemaal een brug te ver. Toch, die titel bergt alle subtiliteiten die het thema meebrengt. Karen Armstrong, door de nonnen groot gebracht, daarna (het verhaal wordt eentonig) uitgetreden, maar gefascineerd gebleven door het afgezworen geloof van haar jeugd, weet waar ze over schrijft.

Ter introductie, god is van huis uit een soortnaam, er bestaat dan ook een meervoud van het woord: goden. Over goden praten was vroeger heel gewoon, ook in Europa, totdat God een eigennaam werd. Toen was dat afgelopen. Deus non est in genere, zei Thomas, God is niet een soortbegrip, en daarmee was ook in Europa de nieuwe stand van zaken eens en voor al onder woorden gebracht. Een geschiedenis van God schrijven is dus beschrijven hoe het van soortnaam tot eigennaam kon komen en hoe het vervolgens God als eigennaam is vergaan in de drie godsdiensten waarin hij troef werd: jodendom, christendom en islam.

De lotgevallen van God, ach wat een vondst! Er zit voldoende in van 'God is onze creatie', om relativerend te kunnen spreken (God als 'one of the most interesting human ideas'), zonder dat het intrigerende van een transcendentie die de mensheid in haar ban houdt, eruit is verdwenen. De schat van informatie die het boek biedt, met grote kennis van zaken en leesbaar gepresenteerd, wordt ingepakt in de vraag hoe God er voor staat: heeft hij toekomst? Dat kan, bij alle afstandelijkheid, nooit saai worden.

Wie een geschiedenis van God wil schrijven, moet ergens beginnen, wil je niet teruggaan naar de oorsprongen van de cultuur. Armstrong begint bij wat pater Schmidt, een bekende godsdienstwetenschapper uit het begin van deze eeuw, in Zwart Afrika aantrof: het geloof in een 'High God', een God van de achtergrond, die alleen werd aangeroepen als de nood echt aan de man kwam.

Pater Schmidt meende met deze ontdekking de oorsprong van het monotheïsme op het spoor te zijn gekomen: God kwam eerst, maar hij werd verdrongen door bijdehandse goden en godinnen. Mooi gevonden, maar onbewijsbaar. Armstrong vindt dat ook, maar het levert haar wel een startpunt voor haar boek op. Met name het Oude Testament, de heilige schrift die joden en christenen met elkaar delen, biedt - als men eenmaal van die idee uitgaat - een heel aardige illustratie. De oudste lagen waaruit het is opgebouwd spreken nog vrijmoedig over die ene El, die op de achtergrond staat (Abraham, Izaak en Jakob weten erover mee te praten), en de veelheid van goden die in jongere lagen hun debuut maken, zou je dus kunnen zien als die goden op de voorgrond van pater Schmidt. Ook dat is onbewijsbaar.

Wat zich wel uit het Oude Testament laat aflezen is de strijd tussen Israels god en de andere goden. Grote delen van het Oude Testament zijn meer heno- dan monotheïstisch: het bestaan van andere goden wordt erkend maar Israel legt zich vast op één. Volgens Armstrong is de strijd over wie er eigenlijk God is, zelfs de achtergrond van het Sjema, de nog steeds door de joden gebruikte geloofsbelijdenis van Deuteronomium 6,4: “Hoor Israel, de HERE is onze God, de HERE is één.” Ik durf daarover geen oordeel te vellen, wel over inzet en afloop van de strijd, fantastisch verteld in I Koningen 18. Het gaat erom wie zichzelf als de rechtmatige eigenaar van de titel God mag beschouwen, de HERE of de vruchtbaarheidsgod genaamd Baal. Er wordt een test georganiseerd: de god die met vuur uit de hemel zal antwoorden (een kletsnat gemaakt offer moet worden aangestoken) zal God zijn. De uitslag is bekend: de baal zwijgt in alle talen, de HERE antwoordt en de HERE is dus God.

De gang van heno- naar monotheïsme verloopt in het Oude Testament als een dramatische strijd tussen God en goden. Plato doet het anders, meer op de manier van de godsdienstfilosofie. Hij veegt de vloer aan met de Griekse goden: straatvechters, hoerenlopers, bedriegers kunnen nooit goden zijn. Homerus, die er zo smeuïg over weet te vertellen dat een mens er zin aan zou krijgen, moet van Plato in de ban. Het dient gezegd, de Griekse goden zijn de slag nooit te boven gekomen. De kerkvaders waren van Plato's manier van saneren onder het polytheïsme zeer gecharmeerd, ze zagen hem meer als bondgenoot dan als heiden. Zelfs Calvijn begint zijn Institutie met een lang stuk Plato.

De prijs die de kerkvaders ervoor betaalden was hun voorliefde voor de abstracte, onpersoonlijke omschrijving van God. En natuurlijk de problemen die dat oproept. Een monnik, zo gaat het verhaal, werd betrapt op het al te mensvormig spreken over God en moest bij de bisschop komen. Gehoorzaam als hij was liet hij zich beleren dat we ons van God geen voorstelling kunnen maken. Maar de volgende dag al werd hij op straat aangetroffen, luid jammerend dat ze hem zijn God hadden afgenomen. Het geloof kan niet tegen abstracties, het wil de verbeelding aan de macht, liefst wil het wat zien. Op de Kirchentag in München van het afgelopen jaar was de Dalai Lama de grote publiekstrekker. Een vrouw die naast me stond zei: “Da sieht man was die Jugend sich wünscht, ein Messias auf Erden”.

Origenes, de later voor ketter uitgemaakte kerkleraar, had dat goed begrepen en vond dat je op twee niveaus over God moet kunnen spreken, aanschouwelijk en mystiek, waarbij de tweede manier natuurlijk beoefend werd door Origenes zelf en andere ingewijden. Sindsdien is die tweedeling, onder welke naam ook gebracht, door de christelijke traditie gegaan. Maar ze is niet typisch christelijk: de islam kent ze, in velerlei toonaarden, en het jodendom niet minder.

Christendom en islam annexeren de God van het jodendom, maar blijft hij onder de bedrijven door dezelfde? Dat is het thema waar het boek om draait. Armstrong lost die vraag op door historisch de gang van de drie grote godsdiensten na te gaan. God is transcendent, hij spreekt, hij is barmhartig (ook de islam wordt niet moede dat te verkondigen), drie karakteristieken die bij alle drie godsdiensten terugkeren. Maar elk worstelt er op zijn eigen manier mee.

Neem bijvoorbeeld de afstand tussen de Schepper en zijn schepselen, alle drie vinden ze er wat op, maar het christendom gaat nog het verst, door de verering van Jezus zo hoog op te voeren, dat Jezus eigenlijk God zelf is, die op aarde kwam, Maria dus de moeder Gods en God mitsdien - om God te kunnen blijven - drie-enig. De kloof met de joden is van dat moment af onoverbrugbaar en is dat tot op vandaag nog. Het verbaast mij altijd weer dat de volgelingen van Karl Barth twee dingen tegelijk willen: zo dicht mogelijk naar het jodendom toeschuiven (zelfs Hebreeuws op de preekstoel gebruiken) en tegelijk het christelijk geloof hoe langer hoe krasser christologiseren. Dat kan nooit samengaan. Het vergroot niet alleen de kloof tussen jood en christen, maar schoffeert ook de islam, die zich al sinds jaar en dag afvraagt of Jezus in het christendom God niet van zijn plaats heeft verdrongen.

De relatie tussen jodendom en islam zit overigens veel intrigerender in elkaar dan beide partijen lief is. Mohammed begon zijn loopbaan in samenwerking met joodse kolonisten, liet het grote gebed oorspronkelijk met het gezicht naar Jeruzalem uitvoeren, beschouwde Abraham als de eerste moslim (wat nog zo is) en is eerst na groeiende tegenwerking voor zichzelf begonnen, niet als stichter van een nieuwe godsdienst (wat er toch van kwam) maar als profeet die oproept tot terugkeer naar de God van Abraham. Zijn succes was nog verbijsterender dan dat van het christendom enkele eeuwen daarvoor: in de tijd van nog geen honderd jaar staan de Arabische krijgers voor de poorten van Europa.

Dat heeft primair te maken met de basisstelling van de islam: de religieuze gemeenschap is het een en het al, ze valt samen met de politieke. De islam is een toonbeeld van een theocratische ordening van de samenleving, de mollahs (predikanten) hebben het voor het zeggen, want zij spreken namens God. Wie wil weten hoe dat werkt, moet Naipauls Among the believers lezen. Zo tolerant de islam is in geloofszaken, zo intolerant is ze als het op de ordening van de samenleving aankomt. Alleen in gehoorzaamheid aan Allah (dat woord betekent God) kan de gemeenschap der mensheid blijven bestaan en dus moet die gehoorzaamheid worden afgedwongen. In beginsel is de islam fundamentalistisch (wat niet hetzelfde is als gewelddadig).

Ik sla de interessante periode voor God (niet oneerbiedig bedoeld) over. In de vroege Middeleeuwen konden joden, islamieten en christenen over God nadenken zonder elkaar de maat te nemen, integendeel, ze werkten vruchtbaar samen, al was het resultaat een vorm van speculatie die nooit tot het gewone volk doordrong. Dat kon ook niet, want het doel van al dat geploeter was toch God te reinigen van al te menselijke religieuze voorstellingen en hem in te passen in de redelijke gedachtenwereld van de filosofen. Daarmee was men, zij het in andere context, weer terug bij Origenes: geloof en redelijk denken staan op gespannen voet met elkaar. Maar ze kunnen ook met elkaar worden verzoend, horen we nu. Zelfs op twee manieren: je pakt het redelijk denken in in de fantasie van het geloof of je tilt het geloof op uit de baaierd van de verbeelding en maakt er redelijkheid van.

Maar wat heet redelijk? Dat interpreteerden de wijsgeren van de eerste eeuwen anders dan de Arabische filosofen van de 12e eeuw, en de Verlichting maakte er op haar beurt weer iets anders van, in veel gevallen (niet alle, denk aan Kant) iets platvloers. De Franse Verlichting ontmaskert God en maakt hem af. Hij functioneerde als verklaring voor wat wij (nog) niet weten, maar nu wij hebben leren denken in termen van oorzaak en gevolg hoeft hij niet meer. Inderdaad, als dat alles is! Diderot formuleert het ijzersterk: “Ik wil best geloven, maar voel me evenzeer thuis bij de atheïsten. Het is van het grootste belang peterselie en dolle kervel niet met elkaar te verwisselen, maar al dan niet in God geloven maakt geen verschil.” Later zal William James het op zijn manier herhalen: “It must make a difference, if there should be a difference.” Waar zit dat verschil dan, als het er al is?

Armstrong zegt: in het functioneren van God. De lotgevallen van God zijn de lotgevallen van zijn functioneren. Dat wijzigt zich voortdurend in de geschiedenis, zowel bij de joden en de christenen als bij de islamieten. Er is geen sprake van dat God dezelfde is van vroeger. Natuurlijk wel wat de leer betreft: dat wordt door alle drie religies zo strak mogelijk volgehouden en is zinvol, een traditie kan er niet zonder. Maar het functioneren van God maakt uiteindelijk de dienst uit, geloof blijft zolang het functioneert, anders sterft het of verplaatst het de focus van zijn aandacht. De atheïst moet zich eens afvragen, zegt Armstrong bij wijze van conclusie, welke God hij bestrijdt uit dat bonte beeld van al die opvattingen. En de gelovige mag zich wel eens realiseren dat zijn traditie - zeg ik nu maar en niet mevrouw Armstrong - een vorm van spraakregeling is, die mensen bijeenhoudt in hun zoektocht om de Transcendentie onder woorden te brengen.

Heeft God nog toekomst (laatste hoofdstuk van het boek)? Een reële vraag, ook in Nederland, nu het Centraal Planbureau ons met de cijfers over de leegloop van de kerken heeft geconfronteerd. Is het christendom in Nederland weer terug bij af, bij de 'High God' van wie je weinig meer hoort? Kerk is niet hetzelfde als geloof, waarom zou God niet meer toekomst hebben in de islam dan in de christelijke kerk? Maar om bij de kerken te blijven: functioneert God daar? Zo ja, dan is de toekomst verzekerd. Zo niet, dan is er niets verloren als de kerken leeg lopen. Niet dat Armstrong het die kant ziet opgaan. Met Buber wil ze God niet kwijt, hoeveel schanddaden in zijn naam ook zijn uitgevoerd. Van die smetten valt God niet te reinigen, zonder hem zelf kwijt te raken.

Het Planbureau is intussen optimistisch, er blijft vast wel een maatschappelijk belang van de kerken over. Dat zie ik ook wel, maar elders dan waar het Planbureau het ziet. Aan het slot van haar boek zegt Armstrong dat mensen leegte en vereenzaming niet kunnen verdragen, ze zullen altijd weer het vacuüm opvullen door het scheppen van nieuwe zingevingen. Welke? De geschiedenis leert dat mensen zich kunnen verslingeren aan wat hun toewijding niet waard is. De kerk, de synagoge en de moskee zouden ons daarvoor kunnen bewaren, door de zoektocht naar de Transcendentie op gang te houden. Het wak moet open blijven - dat zou een fundamentele in plaats van een fundamentalistische rol voor de kerken opleveren.

    • H.M. Kuitert