De laatste der Zonnebloemen

Han Israëls, Mieke Komen en Abram de Swaan, redactie: Over Elias. Herinneringen en anekdotes 125 blz., Het Spinhuis 1993, ƒ 29,50

Op de zondagen, als de meeste mensen iets gezelligs deden, zat de oude geleerde altijd te werken. Dat wil zeggen: hij dicteerde en een assistent typte het uit. “Daar voelde ik me wel eens eenzaam bij worden,” zegt een van die assistenten, “maar Norbert Elias was zo onverstoorbaar, dat ik bij mezelf dacht: waarom ook niet?”

Onverstoorbaar, dat is wel de meest kernachtige karakterisering van de spraakmakende socioloog Norbert Elias. De kleine, immer in colbert en grof gebreide coltrui geklede geleerde sleet de laatste jaren van zijn lange leven - hij werd geboren in 1897 en overleed in 1990 - in Amsterdam. Tot iets anders dan werken was hij niet in staat en tot op het laatst schreef hij door. Artikelen, nieuwe inleidingen bij eerdere boeken, lezingen, dankwoorden - er was altijd wel iets. Elias zag zeer slecht en was zo goed als doof. Om zijn gedachten toch vast te kunnen leggen was hij afhankelijk van de diensten van een persoonlijke assistent; hij heeft er tien versleten. De assistent kwam 's middags, maakte een ontbijt, ging achter de computer zitten en tikte de volzinnen in die de geleerde uitsprak. 's Avonds liep de assistent arm in arm met Elias naar een restaurant - waar meestal bij dezelfde Italiaan steeds weer dezelfde pizza werd besteld - en daarna ging het dicteren weer verder, vaak tot een uur of twaalf. Menigmaal werd een eerdere versie herschreven, of werd, tot wanhoop van de assistent, het werk van die dag resoluut naar de prullenmand verwezen.

Hoe deze intellectuele thuiszorg precies verliep en hoe Elias omging met de sociologen en historici die zich door zijn werk lieten inspireren, wordt beschreven in een sympathiek en zorgvuldig uitgegeven boekje. Het bestaat uit 26 korte stukjes met persoonlijke herinneringen. Ze zijn geschreven met veel gevoel voor het saillante detail en door de chronologische ordening vertellen ze ook het verhaal van zijn laatste levensjaren. Het resultaat is een boeiende karakterstudie van een oude, erudiete man die alleen voor de wetenschap leefde. De persoonlijke eigenaardigheden van Elias vormen de hoofdschotel, maar daarnaast geeft het boekje ook inzicht in een geleerdenbestaan en een levenswijze die tot het verleden behoren. In die zin is het boekje ook interessant voor een ruimere lezerskring dan alleen de Elias-kenners die het boekje ongetwijfeld zullen verslinden.

Johan Goudsblom, de socioloog die het werk van Elias in Nederland populair maakte, vertelt hoe hij in 1951 tijdens een college van professor Den Hollander voor het eerst van het werk van Elias hoorde. Later las hij bij Ter Braak zijn naam opnieuw en Goudsblom besloot Über den Prozess der Zivilisation - het hoofdwerk van Elias, gepubliceerd in 1939 - aan te schaffen. Verschillende van zijn vrienden deden hetzelfde. Goudsblom: “Als er ooit van een Elias-cultus sprake is geweest, dan was het toen.” Goudsblom ontmoette Elias in 1956 op een congres, daarvoor ging hij er min of meer van uit dat Elias al lang dood was. De twee maakten kennis en later nodigde Goudsblom Elias uit voor gastcolleges in Amsterdam. Elias huurde een pied à terre in Amsterdam, boven het huis van de Goudsbloms. De laatste jaren van zijn leven zou hij daar permanent wonen.

Afgrond

Het is deze periode, en de periode daarvoor - de jaren zeventig, toen Elias regelmatig gastcolleges in Amsterdam gaf - waaraan de meeste herinneringen en anekdotes zijn ontleend. Paul Kapteyn vertelt hoe de geleerde een keer werd geconfronteerd met een kritische student die hem vroeg naar de definitie van een term die hij gebruikte. “What do you mean by knowledge?” Elias antwoordde geduldig en vervolgde zijn college. De student, volgens beproefd agitatie-recept, hield aan en koos een nieuw woord uit: “What do you mean by...?” En zo ging hij verder. De irritatie in het collegezaaltje groeide. Hoe deze student te stoppen? Het was Elias die hem ten slotte tot zwijgen bracht. Bij de tiende keer stelde hij een tegenvraag: “What do you mean by mean?”

Hilarisch ook is het stukje van Han Israëls. Als hij als assistent zijn opwachting maakt bij Elias, gaat de telefoon. Elias verontschuldigt zich en gaat temidden van stapels boeken op zoek naar het rinkelende apparaat. “Hij bukte zich om de hoorn op te nemen en probeerde daarbij te leunen op een klein krukje dat toevallig in de buurt stond. Dat leunen mislukte, en Elias rolde met de hoorn in de hand half op zijn zij op de dikke zachte vloerbedekking terwijl hij zijn naam uitsprak.” Elias maakt een afspraak, krabbelt overeind en op voorstel van de ijverige assistent noteert hij de afspraak. Dat doet hij op de achterkant van een enveloppe. “Heeft u geen agenda?” vraagt Israëls. Nee, die had Elias niet, maar hij gaat beleefd in op de suggestie er een te kopen. De agenda bleef ongebruikt. Als het een afspraak was waar hij zin in had, onthield hij hem wel, verklaarde Elias.

Ook op andere terreinen ging Elias meestal vriendelijk, gedecideerd en een enkele keer geïrriteerd zijn eigen gang. In verscheidene bijdragen kunnen we lezen dat hij het slecht kon verdragen als een assistent hem vlak voor een voortrazende auto van de straat plukte, hem voorzichtig langs een kuil loodste of hem op een andere manier bijstond. Bram van Stolk vertelt hoe Elias eens in een vliegtuig vlak voor de landing zijn riem losgespt en in strijd met alle voorschriften het toilet bezoekt. Twee stewardessen bonken op de deur, maar Elias komt pas minuten na de landing tevoorschijn. Op de commotie reageert hij met: “Moet ik op mijn leeftijd nog toestemming vragen om naar de WC te gaan? Bram, let's go.” Het was de kunst, zegt Van Stolk, om Elias zo terloops mogelijk te begeleiden. Als Van Stolk hem eens op het nippertje bij een gapende afgrond wegtrekt reageert de geleerde verstoord: “You hurt my arm.” En toen milder: “Bram, my dear, you really are a more conventional person than I am.”

Conventioneel was Elias zeker niet, zoals ook Godfried van Benthem van den Berg ondervond toen hij met hem naar het Concertgebouw reed voor een optreden van Frank Zappa. Elias stapte onverhoeds uit en drong zich beleefd maar beslist door de mensenmassa heen, zijn vrienden in verbijstering achterlatend. De muziek was interessant, oordeelde Elias na afloop, maar 'a bit noisy'.

Zo staan er tientallen anekdotes in het boekje, sommige van een hoog professor-Zonnebloemgehalte. De toon is geheel vrij van de eerbied die wel eens aan de Elias-getrouwen wordt toegeschreven. Kritische geluiden ontbreken niet en in sommige verhalen schemert enige scepsis. Zoals in het stukje van Ruud Stokvis, die in een gesprek een tegenwerping maakt, maar door Elias wordt weggewuifd. “Een oude man die zijn einde voelde naderen, nog veel wilde zeggen en geen geduld meer had voor tegenspraak?” vraagt Stokvis zich af. Een aannemelijke veronderstelling.