De een gelooft in Mao, de ander in Deng

Richard Evans: Deng Xiaoping and the Making of Modern China 339 blz., Hamish Hamilton 1993, ƒ 60,40Wim F. Wertheim: China om de zeven jaar: Studiereizen naar het aardse rijk 346 blz., EPO 1993, ƒ 59,80

Jaren geleden, tot 1973 toen hij met emeritaat ging, trok de linkse professor Wertheim volle collegezalen met linkse studenten als hij college gaf over de problemen van de 'Derde wereld'. Wertheim bleek daarbij een groot bewonderaar van het Chinese ontwikkelingsmodel en van Mao Zedong. Na alles wat de laatste jaren bekend is geworden, vraag je je bij het verschijnen van een nieuw boek van zijn hand af of Wertheim dat nog steeds is.

China om de zeven jaar is voor een deel autobiografisch, maar veel méér gaat het over zijn vakgebied en dan vooral over de sociologie van China. Wertheim behandelt de periode van 1949 tot nu, met nadruk op het tijdvak 1950-1980, want, zo schrijft hij, “in de loop van de jaren tachtig verminderde mijn belangstelling voor China aanzienlijk”.

Het deel over China is gebaseerd op een enorme kennis van de literatuur en enige in de empirie opgedane kennis. Terecht beoordeelt hij de ontwikkelingen in China steeds tegen de achtergrond van die in Zuid- en Zuidoost-Azië - en over dat gebied weet Wertheim wèl erg veel uit de eerste hand. Centraal staan steeds de grote problemen van overbevolking en onderontwikkeling, vaak met natte rijstbouw in de vlakten, en ontbossing van het heuvelland. Hij maakt duidelijk dat ondanks lokale en regionale verschillen de problemen van China en die van Zuid- en Zuidoost-Azië sterk op elkaar lijken.

Plausibel

Wertheim reisde door China in 1957, 1964, 1970-71 en 1979. Maar op geen enkele reis kon hij gaan en staan waar hij wilde. Je krijgt de indruk dat aan iedere reis lange discussies voorafgingen, waarbij hij trachtte zoveel mogelijk produktie-eenheden op het platteland te zien te krijgen, eerst de zogenoemde coöperaties, later de veel grotere volkscommunes. Hij wilde 'gemiddelde' of juist minder welvarende produktie-eenheden bezoeken; in zogeheten model-communes was hij niet erg geïnteresseerd. Maar de concessies die de Chinezen deden waren beperkt en daarvan was hij zich bewust.

Bij de bezoeken na 1957 bezocht Wertheim steeds nieuwe communes en communes die hij al kende, zodat hij er een aantal in de tijd kon volgen, maar ook steeds nieuwe ervaringen opdeed. In 1979 werden zijn mogelijkheden verruimd: dieper het binnenland in en commune-bezoeken van wat langer dan één dag, soms wel een hele week. Maar zelfs een week is, ook wanneer je zo'n commune al eerder hebt bezocht, te kort om gedegen onderzoek te doen. Zeker als je de taal niet of nauwelijks spreekt.

Niettemin is wat Wertheim meent te kunnen vaststellen op landbouwkundig gebied plausibel: een toename van de landbouwproduktie, met in die gebieden waar hij komt genoeg te eten voor iedereen, opvang van onderbenutte arbeidskracht door aanleg van drainage- en irrigatiewerken waardoor meer oogsten per jaar mogelijk worden, geleidelijke mechanisering van de landbouw en collectieve herbebossingsprojecten. De mechanisering van de landbouw draagt op haar beurt bij aan de mogelijkheid tot meer oogsten per jaar en het opzetten van plattelandsindustrietjes. Bovendien heeft Wertheim oog voor de economische gevolgen van de irrationele, soms rampzalige horten en stoten in het ontwikkelingsproces, zoals de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1960) en de Culturele Revolutie (1966-1976).

In het Maoïstische ontwikkelingsmodel wordt een duidelijk verband gelegd tussen het economische en het politieke aspect. Waar Mao en zijn medestanders vooral geloven in 'morele prikkels', hebben zijn tegenstanders (Liu Shaoqi, Deng Xiaoping) vooral vertrouwen in 'materiële prikkels'. Willen 'morele prikkels' werken, dan moet de samenleving doortrokken zijn van politiek, gemeenschapszin, gevoelens van verantwoordelijkheid voor het collectief, mobilisatie, participatie en, uiteindelijk, allerlei vormen van directe democratie.

De hoofdrol speelt daarbij een Maoïstisch begrip bij uitstek: de 'massalijn'. Het gaat daarbij, in de woorden van Wertheim, om beleid dat “werd gevoerd door een sterke staat, maar wel een die voeling hield met wat er leefde onder (...) de brede massa van boeren. Het Chinese bewind deed zijn best om het in wezen autoritaire beleid maximaal van onderaf te laten controleren door de bij de maatregelen meest betrokken bevolkingsgroepen”.

Tijdens zijn laatste reis had Wertheim vooral voor dit aspect van participatie als noodzakelijke voorwaarde voor de werking van het 'model' speciale aandacht. Daartoe bezocht hij een aantal bijeenkomsten op lokaal niveau, die vooral werden gewijd aan de organisatie van de produktie, het kiezen van kandidaten voor een 'volkscongres', enzovoort. Met enige kanttekeningen komt hij tot de conclusie dat er op z'n minst sprake is van 'participatie door de boeren'.

Massalijn

Deze observaties over de politiek zijn veel zwakker dan die over de agrarische economie. De paar bijeenkomsten die Wertheim bijwoonde zijn bepaald geen garantie dat er zoiets als een 'massalijn' functioneerde, zeker niet op hogere bestuurlijke niveaus dan het door hem bestudeerde. Zo lijkt het mij nodig, veel méér nog dan in 1975, de argumenten serieus te nemen van hen die beweren dat China op die hogere niveaus een bloedige dictatuur was en is. Je zou in dit verband toch ten minste moeten ingaan op de gruwelijkheden die een Jung Chang in haar Wilde Zwanen beschrijft - veel overtuigender dan destijds Simon Leys in zijn Ombres Chinoises. In Wertheims boek van 1993 staat echter geen letter over Jung Chang; wel een uitvoerig en nogal kritisch citaat van W.F. Wertheim in De Gids van 1975 over het boek van Leys.

Interessant is dat Wertheim ook zelf ergens in zijn boek expliciet erkent dat het nieuwe China een dictatuur is, wat zijn redenering op het terrein van de politiek wat tegenstrijdig maakt. Tenslotte hanteert hij nog - nu kennelijk om de niet erg democratische gang van zaken in China te rechtvaardigen - het bekende argument van de 'democratie en haast'. Wertheim schrijft, terecht, dat deze landen met de urgentie van het armoedevraagstuk voor het palaver van democratie weinig tijd hebben. Maar afgezien van het feit dat je je hiermee op een hellend vlak begeeft: heeft het palaver over 'morele' en 'materiële prikkels' niet óók een hoop tijd gekost?

Veel overtuigender zijn Wertheims vergelijkingen met landen in Zuid- en Zuidoost-Azië waar het gaat om de verpaupering van de onderkant van de plattelandssamenleving. Waar in deze landen het armoedeprobleem absoluut niet is opgelost, is dit in China volgens Wertheim wel goeddeels gelukt. Om dit aan te tonen laat hij een groot aantal studies (vaak van mensen die bij hem gepromoveerd zijn) de revue passeren en steeds komt China er, waar het de maatschappelijke tegenstellingen op het platteland betreft, beter af.

Toch ook hier een kanttekening. Want beziet men nauwkeurig de cijfers die Wertheim juist voor de laatste commune op zijn laatste reis geeft, dan worden toch ook grote tegenstellingen zichtbaar. Hij bezoekt in een bergachtig gebied een commune, die in vergelijking met andere communes in dit soort streken bijzonder welvarend is. Tot de commune behoort onder andere een kolenmijn. Deze mijn ligt in de vlakte en daar verblijft Wertheim. Maar het is duidelijk dat veel mijnarbeiders in de vlakte een stuk meer verdienen dan de daar levende boeren, en dat die in de vlakte levende boeren op hun beurt meer verdienen dan de boeren in de heuvels en in de bergen, dat er kortom scherpe tegenstellingen bestaan binnen de verschillende produktie-eenheden zowel in de heuvels als in de vlakte.

Je vraagt je af: hoe zouden de boeren het hebben in de communes in de buurt waar geen mijnbouw is, en waar een nog groter deel van het areaal in de bergen ligt? En: wat zijn de gevolgen van de politiek van 'vertrouwen op eigen kracht', als de wat minder arme eenheden hun winsten grotendeels mogen investeren in de eigen verdere ontwikkeling? Of: wat zijn de gevolgen van een autoritair opgelegde politiek van family planning met één kind per huishouden voor een vergrijzende bevolking, ver in de dun bevolkte heuvels en bergen in West-China? Dit zijn vragen die Wertheim zich in zijn boek ook stelt, maar waarom gaat hij niet verder door het hele Maoïstische ontwikkelingsmodel op een fundamentele wijze ter discussie te stellen? Dat komt, legt hij uit, doordat het China van de jaren tachtig hem niet meer zo interesseert. De 'materiële prikkels', uitgedragen door de zogenoemde 'capitalist roaders', hebben het pleit immers, waarschijnlijk definitief, gewonnen.

Deng

Richard Evans vindt de huidige periode juist wel interessant. Hij was van 1984 tot 1988 Engels ambassadeur in China en is een even groot bewonderaar van Deng Xiaoping als Wertheim dat is van Mao Zedong. Het is dan ook bijzonder aardig zijn boek, met de veelzeggende titel Deng Xiaoping and the Making of Modern China, naast dat van Wertheim te leggen.

Evans' boek is in sterke mate biografisch maar behandelt, gezien de carrière van de in 1904 geboren hoofdrolspeler, ook een lange periode uit de politieke geschiedenis van China. Het bestrijkt vooral de tijd na 1949. Wat het perspectief betreft verschilt het sterk van dat van Wertheim: de ontwikkelingen worden duidelijk uit het 'centrum', de stad bekeken (soms is het 'Peking-watching' uit Peking), terwijl Wertheim consequent probeert het platteland centraal te stellen.

Verder zijn er duidelijke verschillen in interpretatie. Zo benadrukt Evans dat de excessen als gevolg van de Grote Sprong Voorwaarts “meer doden, als direct gevolg van honger en als gevolg van ziekte, eisten dan enige hongersnood in de twintigste eeuw, in China of waar dan ook. Zijn tol was veel groter dan die van de hongersnood die volgde op de collectivisering van de Sovjet-landbouw”.

Volgens Evans heeft Deng twee grote verdiensten gehad. Deng zou erin zijn geslaagd China een eind op weg te helpen in de richting van snelle economische groei en China zou tijdens zijn bewind eindelijk weer op een volwaardige wijze deelnemen aan de internationale gemeenschap - belangrijk criterium voor een diplomaat. Geen van beide beweringen lijkt onjuist.

Toch past ook hier een kanttekening: wat gebeurt er bij al die geweldige groeicijfers met de boeren in de armere streken? En hoe ontwikkelen zich de maatschappelijke tegenstellingen in de rijke kustprovincies? Zoals in een recent programma van NOVA te zien was, worden daar boeren van hun land verdreven om plaats te maken voor grote flatgebouwen - tegenstellingen die een treffende gelijkenis vertonen met wat Wertheims leerlingen in hun proefschriften over andere Aziatische landen meldden.

Lange Mars

Het aardigst van Evans' boek is de beschrijving van Dengs onvoorstelbaar veelzijdige loopbaan, waarvan de schrijver het begin in september 1920 situeert, toen “Deng per stoomboot uit Chungking vertrok, met zijn oom en bijna honderd mede-studenten, op de eerste etappe van zijn reis op weg naar Frankrijk - en op weg naar een revolutionaire carrière”.

Wij zien Deng als militair, als partijman, als bureaucraat in alle mogelijke functies in en buiten China. We zien hem bij herhaling in ongenade vallen en weer in genade aangenomen worden. En we zien hem als deelnemer aan de legendarische 'Lange Mars' (1934-1935), als overlevende daarvan in Yan'an, de afgelegen guerrillabasis van de toen in het nauw gedreven communisten, als strateeg in de bevrijdingsstrijd daarna en als protagonist in bijna alle ideologische campagnes van enkele tientallen jaren.

Het is opmerkelijk hoe twee schrijvers, beiden goed op de hoogte van de Chinese geschiedenis sinds de 'bevrijding' van 1949, tot zulke tegenstrijdige conclusies kunnen komen. Wie naast deze twee boeken Jung Chang leest evenals het nog altijd onvolprezen China, per trein van Paul Theroux en enige recente wetenschappelijke literatuur beseft hoe interessant China, in tegenstelling tot wat Wertheim misschien denkt, nog altijd is.