Beoordelingsfouten IRT mogen niet zonder consequenties blijven

Het rapport van de Commissie-Wieringa over de opheffing van het Interregionaal Rechercheteam Noord Holland/Utrecht is nauwgezet - en vernietigend voor de Amsterdamse top van de justitie en politie. Hoofdofficier van justitie Vrakking is in ernstige mate tekortgeschoten. Tegen de handelwijze van procureur-generaal Van Randwijck heeft de commissie ernstige bezwaren. Commissaris Van Riessen is verantwoordelijk voor de onaanvaardbare wijze waarop de leiding over het rechercheteam medio vorig jaar is overgegaan van Utrecht naar Amsterdam. Hoofdcommissaris Nordholt wordt niet alleen nalatigheid verweten, maar hij behoort ook tot de politiechefs die zich in deze affaire een houding hebben aangemeten die volgens de commissie een behoorlijk bestuur over de politie hebben bemoeilijkt.

Hoe zit het echter met minister Hirsch Ballin van justitie? Deze draagt politieke verantwoordelijkheid voor het openbaar ministerie, dat de leiding heeft over opsporingsactiviteiten. De wijze waarop deze bewindsman zich sterk heeft gemaakt voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit - bestaandsreden van speciale politieteams met een verhoogd risico - laat zich moeilijk rijmen met de déconfiture van het IRT.

De Commissie-Wieringa laat het politieke oordeel over aan de Tweede Kamer. Deze staat daarbij voor een lastig dilemma gezien een slepend conflict over het gezag over het openbaar ministerie. Hirsch Ballin wil meer zeggenschap over het OM ten koste van eigen - 'magistratelijke' - rol van het OM. Daarbij past hem ten volle aan te spreken op de Amsterdamse puinhoop, ook al was hij daar slechts indirect bij betrokken. Dan moet wel worden bedacht dat er geen verantwoordelijkheid is zonder zeggenschap. En het blijft van belang de politieke invloed op het strafvervolgingsbeleid te temperen. Voor de eigenstandigheid van het OM tegenover de minister geldt “you cannot have your cake and eat it”.

De ernstige beoordelingsfouten die de commissie signaleert kunnen in elk geval niet zonder consequenties blijven. De stelling dat het ontsporen van één dubieuze undercover-operatie tot opheffing van een heel rechercheteam noopte is als ongeloofwaardig ontmaskerd. Dat kan in de eerste plaats de direct-verantwoordelijke hoofdoffcier zich aantrekken. In het Juristenblad van deze week wordt net nog weer eens opgemerkt dat door het nieuwe politiebestel het zwaartepunt binnen het openbaar ministerie is verschoven van procureur-generaal naar hoofdofficier. De opheffing van het IRT is echter bepaald ook toe te schrijven aan een aantal politie-officieren met een eigen agenda.

Een curieus maar niet onbelangrijk detail aan politiezijde is de rol van met name de Amsterdamse dienstcommissie (ondernemingsraad) bij het oprichten van het IRT. Deze lag dwars met betrekking tot selectie-eisen en verzette zich zelfs tegen een elementaire voorzorgsmaatregel als het onderwerpen van teamleden aan een veiligheidsonderzoek. Hoofdcommissaris Nordholt gaf de voorrang aan overeenstemming. De man die niet schroomt Haagse politici duchtig de oren te wassen, gaat er prat op in de zeven jaar dat hij hoofdcommissaris is slechts één keer een menigsverschil te hebben gehad met zijn dienstcommissie.

De manier waarop premier Lubbers olie op de golven probeert te gooien maakt het er zijn politieministers intussen niet makkelijker op. De premier heeft een - door andere voormannen gretig nagevolgd - onderscheid gemaakt tussen de vraag of de gezagsdragers “fout waren” dan wel dat zij fouten hebben gemaakt. Dit laatste impliceert op zijn minst de bereidheid lering te trekken. De reactie van hoofdofficier van justitie Vrakking en hoofdcommissaris Nordholt getuigt daar niet van. Zij verwerpen openlijk de centrale conclusie van de commissie-Wieringa dat hun actie om het rechercheteam te ontbinden onnodig en onjuist is geweest. De Amsterdamse korpsbeheerder De Grave dekt Nordholt, en Van Riessen. Alleen al doordat De Grave nog slechts zo kort geleden Van Thijn is opgevolgd trekt zijn reactie de minister van binnenlandse zaken, die net een beetje uit de wind leek te blijven, er volgende week naast Hirsch Ballin weer helemaal bij.

Als de bewindslieden die direct verantwoordelijk zijn voor het instellen van de commissie-Wieringa toelaten dat op een dergelijke manier de belangrijkste bouwsteen uit het rapport wordt getrokken, laden zij een extra verantwoordelijkheid op zich. Zeker nu de commissie toch al heeft moeten vaststellen dat een behoorlijke samenwerking tussen Amsterdam en de andere korpsen voorlopig niet mogelijk is. Dat is een onaanvaardbare situatie die vraagt om een krachtig herstel van elementaire gezagsverhoudingen. Zonder aanziens des persoons.