Algerijnse legertop zwalkt tussen praten en vechten

De eclatante successen die de Algerijnse moslim-extremisten de laatste tijd in hun oorlog tegen de overheid hebben geboekt, leiden binnen de strijdkrachten tot groeiende spanningen, die volgens goed ingelichte bronnen vorig weekeinde tot grote hoogte opliepen.

Na drie dagen van ongewoon felle debatten binnen de legertop werd bekendgemaakt dat de chef-staf van de strijdkrachten, generaal-majoor Mohamed Lamari, die een keiharde aanpak wil van de moslim-extremisten en die als geen ander betrokken is bij de oorlog tegen hen, tekeningsbevoegdheid van president Zeroual heeft gekregen “voor alle handelingen en beslissingen, met inbegrip van verordeningen”. Hij mag nu naar believen hoge officieren bevorderen of ontslaan.

De beslissing om deze super-havik in de oorlog tegen de moslim-extremisten de bevoegdheden te geven van minister van defensie volgde enkele dagen na de aankondiging van de president, generaal-in-ruste Liamine Zeroual, vorige week vrijdag dat er een dialoog op gang zou komen “die eerlijk is en niemand uitsluit”. Dialoog is sinds meer dan anderhalf jaar de door de overheid gebruikte, verhullende terminologie voor directe of indirecte onderhandelingen met de leiders van het FIS, de politieke partij van de moslim-extremisten. Het idee om met het buiten de wet gestelde FIS te onderhandelen, werd in de zomer van 1992 versterkt na de moord op de president Mohamed Boudiaf, die zelf tegen elk compromis was. Het merendeel van de legerleiding kwam tot de conclusie dat zij de oorlog tegen de Strijders Gods onmogelijk kon winnen en dat er daarom niets anders overbleef dan een dialoog te beginnen.

De orde-strijdkrachten - politie, gendarmerie en militairen - zijn namelijk domweg niet in staat de steeds doeltreffender overvallen en aanslagen van de moslim-extremisten in het gigantische land te voorkomen. Volgens goed geïnformeerde bronnen hebben thans ongeveer tienduizend man zich aangesloten bij de islamitische ondergrondse buiten de steden. Zij kunnen desgewenst gebruik maken van de diensten van tien- tot vijftienduizend man in de steden. Daarnaast staan er ongeveer 100.000 mensen in de coulisssen klaar om mee te doen, als zij over wapens zouden beschikken.

Tegenover die formidabele macht staat het leger van 120.000 man, van wie iets meer dan de helft dienstplichtigen, die zeker niet allemaal te vertrouwen zijn. De strijdkrachten kunnen de terroristische acties alleen bestrijden met marteling en moord. Maar de generaals durven die methoden niet zo massaal toe te passen als de Syrische president Hafez al-Assad dat in februari 1982 deed tegen de opstandelingen in de stad Hama. Want met zo'n strategie zouden zij het Westen, waarvan zij in toenemende mate economisch afhankelijk zijn, voor het hoofd stoten. Dus creëert contra-terreur slechts nieuwe hulptroepen voor de moslim-extremisten, gerecruteerd uit het onmetelijke reservoir van hen die wraak willen nemen en die voordien toch al niets van de vervloekte overheid moesten hebben.

Zerouals hernieuwde bekendmaking dat hij de dialoog weer zou starten, kwam samen met de aankondiging dat de president besprekingen zou beginnen met de politieke en sociale leiders van het land om Algerije “terug te brengen naar de soevereine keus van het volk” - een term die door het FIS gebruikt wordt. Het blad Al Watan sprak dan ook van een stap “die Algerije op het pad van de zelfmoord zal voeren” en “de eenheid van het leger in gevaar kan brengen”.

Binnen de Algerijnse machtsverhoudingen zou Al Watan nooit op zo'n manier tegen de president, annex minister van defensie, te keer gaan, als de krant zich niet op de achtergrond verzekerd wist van de steun van machtige figuren. Die steun geniet Al Watan inderdaad, met name van de chef-staf, generaal Mohamed Lamari, en van zijn naamgenoot, generaal Ismail Lamari, hoofd van de inlichtingendienst DRS. Beiden willen onder geen enkele voorwaarde compromissen met de moslim-extremisten sluiten. Hun grootste tegenstander is de directeur van de contra-spionage, generaal Mohamed Mediane, beter bekend onder zijn pseudonym 'Toufiq'. Hij is de baas van generaal Ismail Lamari, en hij geldt als één van de belangrijkste voorstanders van dialoog en verzoening met het FIS, die hij voor een belangrijk deel voorbereidt.

Na de aankondiging over de dialoog en de nieuwe tekeningsbevoegdheden van generaal Mohamed Lamari volgde drie dagen geleden de bekendmaking van de minister van binnenlandse zaken Selim Sa'adi, dat de regering overweegt reservisten op te roepen omdat er onvoldoende strijdkrachten zijn in de oorlog tegen het terrorisme. In werkelijkheid wil de overheid volgens diplomatieke bronnen uitsluitend betrouwbaar geachte reservisten oproepen en daarmee milities vormen om in de door de extremisten beheerste wijken bedreigde personen en instellingen te beschermen.

Met al deze beslissingen is een dreigende scheuring in het leger voorlopig bezworen. Zo'n scheuring zou een nieuw drama voor Algerije betekenen, omdat achter de schermen de militaire top in feite nog steeds alle macht in handen heeft, al laat zij de staat besturen door burger-politici die zij benoemt. De legertop pleegt, ondanks de regelmatig terugkerende onderlinge meningsverschillen, een minimum aan consensus na te streven. Dat is noodzakelijk omdat de voor- en tegenstanders van toenadering tot het FIS niet sterk genoeg zijn om hun eigen wil door te drukken en de anderen hun oplossing op te leggen. Aangezien er binnen de legerleiding geen sprake is van een absolute macht of van één machtscentrum, wordt de macht gedeeld, waardoor er minimaal twee machtscentra zijn, die elkaar min of meer in evenwicht houden.

Bovendien beseft iedereen dat het regionalisme in Algerije nog steeds zó diep geworteld is dat het land zonder consensus in de leger-top vrijwel zeker uiteenspat. Daarbij vergeleken zou de huidige burgeroorlog tussen de moslim-extremisten enerzijds en de intellectuelen en militairen anderzijds kinderspel zijn, omdat Algerije dan het Afghaanse pad zou opgaan.

Daarom durft tot dusver niemand in het leger op eigen houtje al te scherpe politieke koersveranderingen door te drukken, hoewel de officieren van het tweede echelon zich steeds grotere zorgen maken over de gevolgen van de dialoog voor hun eigen toekomst. De meesten van hen hebben zich niet, zoals hun superieuren, ruimschoots uit de staatskas kunnen verrijken. Maar zij weten wél dat zij, als het FIS mét of zonder dialoog aan de macht komt, de eersten zullen zijn die letterlijk een kopje kleiner worden gemaakt. Voor zover zij ooit in het nut van de dialoog geloofden, hebben zij steeds minder vertrouwen in de goede afloop ervan voor henzelf. Hun ongerustheid neemt toe - en daarmee de interne tegenstellingen binnen de strijdkrachten - nu de capitulatie van het leger in zicht komt.

Volgens een in Algiers praktiserende advocaat willen de autoriteiten tot dusver niet écht optreden. “En dus slaat de paniek overal toe. Er komen steeds meer pamfletjes met bedreigingen. Zo werden de ambtenaren van het ministerie van justitie en de leden van de rechterlijke macht twee weken geleden met de dood bedreigd als ze hun werk niet staakten. Wij, advocaten, worden nog niet rechtstreeks bedreigd. Maar natuurlijk zijn we bang, hoewel het hier in het centrum van Algiers nog wel meevalt: de chador (de alles verhullende sluier voor de vrouwen) is hier door de terroristen ook nog niet verplicht gesteld. Maar de criminaliteit en het terrorisme nemen elke dag toe. Zo werden er twee weken geleden in Algiers vijftig vuilnisauto's van de gemeentereiniging in brand gestoken. De stad stonk een week lang.”

Een andere zegsman bericht dat degenen die moordaanslagen uitvoeren, 200 tot 300 Franse francs betaald krijgen. “Je hoort alleen nog maar van mensen die gedood zijn of net aan de dood ontsnapt. Niemand koestert nog enige hoop of verwachting. Steeds meer mensen berusten in hetgeen er gebeurt. Zij zeggen dat het de wil van God is. Zij zullen wel gelijk hebben.”

Die drie fenomenen - de steeds doeltreffender aanslagen van de moslim-extremisten, de groeiende onenigheid in de kring van de hoogste officieren over de manier waarop men zich tegen hen moet verweren en de toenemende passiviteit van de bevolking - hebben tot gevolg dat de overheid zich steeds meer tegenspreekt en het staatsgezag, dat in delen van het land al volstrekt afwezig is, steeds grotere scheuren vertoont. Dat leidt op zijn beurt er weer toe dat steeds minder burgers bereid zijn de kant van de overheid te kiezen.

Volgens een voormalige regeringsfunctionaris heerst er bij de burgerij een volledig gebrek aan vertrouwen in de overheid en bij de machthebbers totale verwarring. “Iedereen doet wat hem uitkomt. De voorstanders van de dialoog proberen in gesprek te komen met de terroristen en de tegenstanders van de dialoog proberen de strijd op te voeren. Sterker nog: dezelfde mensen die erop los willen slaan, kunnen even later honderd procent van mening veranderen. Daarom kan president Zeroual, die nog in oktober tot een van de politieke leiders zei: 'Of we bestrijden ze (de extremisten) of we staan hun de macht af', drie maanden later precies het omgekeerde stellen en opnieuw de dialoog afkondigen. Dat heen en weer zwalken toont het beste aan in welke wanhopige situatie het regime is beland.”