Westvlaams

Grote dichters zijn grote provincialen. Zonder Lissabon was Pessoa beslist een heel andere dichter geweest. Nijhoff is bij uitstek Hollands. En alleen een Amerikaan uit het oude Zuiden kon de Britse conservatieven beter nabootsen dan de Britse conservatieven zelf: zonder dat diepgewortelde besef van zijn eigen provincialisme zou Eliot vermoedelijk nooit, of in elk geval nooit zo indringend, de crisis van de hele westerse beschaving hebben kunnen verwoorden.

Hugo Claus komt uit West-Vlaanderen, de eigenaardigste en meest provinciale provincie van ons hele taalgebied. Ik denk dat Claus Claus niet zou zijn geworden zonder West-Vlaanderen, en vooral niet zonder dat wonderbaarlijke Westvlaamse dialect, waarvan de sprekers gedurig in een zangerig soort ademnood lijken te verkeren.

Niet één dichter heeft het eeuwige fugatische gonzen, ritselen, twieten en murmelen van de Vlaamse natuur met zoveel virtuositeit weergegeven als Gezelle, eveneens een Westvlaming. Op het eerste gezicht hebben Claus en Gezelle voor de rest niets met elkaar gemeen, maar wie Claus ooit Westvlaams heeft horen spreken weet wel beter: misschien is de taal niet gans het volk, de taal is wel gans de dichter. Op dit punt zal de ontwikkelde lezer mij allicht tegenwerpen dat Hugo Claus alleen in zijn dialogen weleens dialect gebruikt, verder nooit, zeker niet in zijn gedichten. Dat is waar, en toch heb ik gelijk als ik beweer dat de kosmopoliet Claus zijn universele betekenis niet alleen aan zijn talenten en zijn werkkracht te danken heeft, maar ook aan West-Vlaanderen. Om die stelling toe te lichten moet ik eerst nog iets over Gezelle zeggen.

Aan het gevoel van historische identiteit dat Conscience de Vlamingen had geschonken, voegde Gezelle met zijn verruwprachtig hoortoneel een gevoel van taalkundige eigenwaarde toe, mogelijk heeft het feit dat hij het Vlaamse zelfbewustzijn uit zijn eeuwenlange sluimering hielp wekken zelfs meer tot zijn status van nationaal monument bijgedragen dan zijn poëzie als zodanig. (Zijn hedendaagse Waalse collega William Cliff noemt hem ergens een 'nationaal dichtertje', en dat treiterige oxymoron drukt precies uit wat ik bedoel: de betrekkelijkheid van zijn dichterschap en de verabsolutering van zijn vlaamsgezindheid.)

Toen Gezelle gedichten begon te schrijven, hàd Vlaanderen helemaal geen taal, al was die ook wonderzoet. Het Hollands werd door de voormalige protestantse bezetter gesproken, wiens congenitale schraapzucht zich tot in zijn strottehoofd had genesteld. Gezelle (die dit jaar 164 wordt, zo oud als het België dat hij verfoeide) had een uitgesproken hekel aan dat Hollands. Maar het Vlaams was duizend dialecten, en hij kon niet in alle duizend tegelijk dichten. Om zijn gedichten überhaupt te kunnen schrijven, moest hij dus een taal creëren - daartoe begon hij nog op het klein-seminarie in Roeselare met het 'zanten' (verzamelen) van Westvlaamse woorden. De taal die hij tenslotte in zijn gedichten zou gebruiken is echter niet zozeer Westvlaams als wel Gezelliaans: een mengsel van Middelnederlands, Roeselaars, Brugs, Kortrijks, gallicismen, purismen en neologismen - even rijk en kunstmatig als het Westvlaams dat Hugo Claus bijna anderhalve eeuw later in Het verdriet van België zou scheppen. Veel door Gezelle verzonnen woorden zijn onomatopeeën, imitaties van natuurgeluiden, die de indruk wekken dat deze artificiële taal hem aan is komen wikkelwakkelwaaien. Maar Gezelle was een bezeten amateurfiloloog, die bij zijn dood 150.000 papiertjes met woordverklaringen naliet, de basis voor een idioticon van het Gezelliaans: de taal die hij voor zijn volk wrochtte en die niemand onder dat volk spreekt. Hoe naïef van hem te denken dat iemand zijn poëtische Volapük ooit echt zou spreken!

Alles welbeschouwd is Gezelle nu vooral monumentaal in zijn tragiek.

Op mijn Nederlandse middelbare school heb ik nooit een letter van zijn werk onder ogen gekregen. De Vlaamse jeugd leert misschien nog zijn geboorte- en sterfdatum uit het hoofd, maar ik maak mij sterk dat het onderwijs haar meer feeling voor software dan gevoel voor kerkhofblommen bijbrengt. Na zijn achttiende leest een Vlaming zijn nationale dichtertje sowieso niet meer.

Wat is er trouwens overgebleven van de door Gezelle verheerlijkte Vlaamse natuur? Heden ten dage zou hij mystiek één moeten zien te worden met een tot Super-GB's, gardencenters en bouwkundige gedrochten verkaveld landschap.

Terug naar Claus. In het gedicht West-Vlaanderen schrijft hij over zijn provincie:

Ik leen uw lucht in mijn woorden

Uw struiken uw linden, schuilen in

mijn taal

Deze regels vormen zoveel als een definitie van de verhouding tussen de poëzie van Claus en zijn geboortestreek, respectievelijk zijn moedertaal. Behalve struikgewas en hier en daar een boom is er niet veel meer over van de Gezelliaanse natuur, maar dat weinige bloeit voort in de gedichten van Claus. Tegelijkertijd is het Westvlaams van Claus in zijn gedichten Nederlands geworden, een heidens, onkuis, teder, zwellend en bloeiend Nederlands. Al deze epitheta ontleen ik aan zijn eigen gedicht Ik schrijf je neer. Dat gedicht heb ik hem op 18 februari jongstleden in Waregem (West-Vlaanderen) horen voorlezen, aan het begin van de avond in het Nederlands en aan het eind van de avond nog een keer, in zijn Westvlaamse dialect, Ek skrief u nere... Toen de betovering van die wonderzoete klanken weer verbroken was, besefte ik hoe eenvoudig en onnavolgbaar zijn taal was: Hugo Claus schrijft namelijk Westvlaams in het Nederlands.

    • Benno Barnard