Vertrek geëist top OM en politie Amsterdam

PAG.3 NIEUWSANALYSE/ RECONSTRUCTIE; PAG.9 HOOFDARTIKEL

DEN HAAG, 25 MAART. Het is onterecht dat de top van de Amsterdamse politie en justitie aanblijft na de vernietigende kritiek op hun handelwijze. Dat vindt H. Wierenga, voorzitter van de onderzoekscommissie die de opheffing van het Interregionaal Recherche Team Noord-Holland/ Utrecht (IRT) heeft onderzocht. Die kritiek van de commissie-Wierenga raakt ook de toenmalige burgemeester van Amsterdam, E. van Thijn, die nu minister van binnenlandse zaken is.

“Het is vreemd dat zulke mensen kunnen blijven zitten”, zei Wierenga gisteravond voor het televisieprogramma NOVA. “Dat geeft de burger het idee dat de hoge heren elkaar de hand boven het hoofd houden. Dat is slecht voor de politiek, voor de politie en voor justitie.” Hij doelde daarbij behalve op de toenmalige burgmeester Van Thijn ook op hoofdofficier Vrakking en hoofdcommissaris E. Nordholt. Vrakking wordt verweten “overijld en ondoordacht” te hebben gehandeld waardoor levens van informanten gevaar liepen, terwijl Nordholt volgens de commissie “krachtdadiger” had moeten optreden bij het beslechten van onderlinge twisten tussen de korpsen.

Ook de woordvoerder van de Algemene Christelijke politiebond, H. Kruisinga, vindt dat de Amsterdamse politie- en justitietop moet aftreden. “Ik kan en wil het niet verkopen aan mijn leden dat de mensen aan de top zomaar blijven zitten”, aldus de voorzitter. “De echte zwarte piet is aan de leiding gegeven. De Amsterdamse diender moet nu wel denken dat het een zooitje is aan de top.”

Commissie-voorzitter Wierenga liet zich niet uit over de positie van de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn. Hij vindt dat de Tweede Kamer daarover een oordeel moet vellen. Premier Lubbers noemde deze houding gisteren juist één van de redenen waarom naar het oordeel van het kabinet niemand hoeft op te stappen. “De commissie was niet geprogrammeerd op koppensnellen”, aldus Lubbers. Hij zei ook dat het “gaat om fouten, maar niet om foute mensen”.

CDA en PvdA hebben gisteren laten weten achter Hirsch Ballin (CDA, justitie) en Van Thijn (PvdA, binnenlandse zaken) te staan. PvdA-woordvoerder P. Stoffelen beantwoordde de vraag of hij vertrouwen had in de eerstverantwoordelijke minister Hirsch Ballin met een “volmondig ja”. Ook CDA-woordvoerder F.J. Van der Heijden liet weten de minister, tevens nummer drie van de CDA-kandidatenlijst, te steunen. Wel houden beiden vragen over het optreden van de twee ministers. Ze willen onder meer weten wat Hirsch Ballin heeft gedaan om de sfeer tussen de Amsterdamse en Utrechtse politiekorpsen te verbeteren. Een debat in de Tweede Kamer over het rapport, volgende week donderdag, moet daarover klaarheid brengen. Over de Amsterdamse politietop wilden ze geen oordeel uitspreken. “De Tweede Kamer voert geen personeelsbeleid”, aldus Stoffelen.

Pag.3: 'Driehoek' Amsterdam oneens met conclusies

Commissie-voorzitter Wierenga kritiseerde gisteravond vooral het besluit van de “driehoek in Amsterdam, waar dus drie mensen verantwoordelijk voor zijn, ook de vroegere burgemeester (en nu minister van binnenlandse zaken Van Thijn, red.), dat een team wordt opgeheven, dat het onderzoek wordt gestopt. Wat vreemd is in Nederland dat mensen die zulke fouten maken, gewoon kunnen blijven zitten.”

Vrakking zei gisteren, net als de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt, geen aanleiding in het rapport te zien af te treden. Daarbij werden ze gesteund door loco-burgemeester F. de Grave. Wel aanvaarden Vrakking en Nordholt “een aantal punten van kritiek” in het rapport-Wierenga. Zo zei Vrakking in hoge mate het persbericht over de opheffing van het IRT te betreuren. “Als ik tachtig ben herinner ik mij misschien vijf dingen. Daar zal ongetwijfeld het persbericht bij zijn. Dat persbericht was verkeerd.” In het persbericht maakte Vrakking melding van een door het IRT gehanteerde methodiek waarvoor de driehoek geen verantwoording wilde dragen. “Dat persbericht sloeg in als een bom en dat had niet gemoeten.”

Waarnemend burgemeester de Grave schaarde zich gisteren achter hoofdcommissaris Nordholt. Hij zei het volstrekt oneens te zijn met “een kernthema” van de commissie-Wieringa. De commissie stelt dat het IRT niet kan zijn opgeheven vanwege 'een omstreden werkwijze', omdat de gewraakte methode niet omstreden ís. De Grave, en met hem Vrakking en Nordholt, houdt vol dat er weldegelijk een opsporingsmethodiek werd toegepast door het IRT, waarvoor de Amsterdamse driehoek terecht geen verantwoording wilde dragen. Daarmee, zo stelde De Grave, “valt een concrete bouwsteen weg uit de kritiek van de commissie”.

De houding van de Grave heeft bevreemding gewekt bij zijn partijgenoten in de Tweede Kamer. H. Dijkstal, vice-fractievoorzitter van de VVD-fractie, zegt “nog niet zo ver te zijn als de Grave”, hoewel hij eraan toevoegt dat de Tweede Kamer “niet gaat over politiefunctionarissen.” Dijkstal: “Maar als de Grave aan het sfeertje heeft meegewerkt - wat ik niet precies weet of hij dat gedaan heeft - dat je de fouten van de commissaris in de tijd moet zien, en dat het allemaal wel meevalt etcetera, zou dat raar zijn”.

Voorzitter De Jong van de dienstencommissie van het Amsterdamse politiekorps heeft inmiddels aangedrongen op het vertrek van Utrechtse politiecommissaris Wiarda. Nu de commissie-Wierenga beschuldigingen van onder anderen Wiarda heeft ontzenuwd dat in de Amsterdamse politietop sprake zou zijn van corruptie, is deze politiefunctionaris niet meer te handhaven, aldus De Jong.

Burgemeester I. Opstelten van Utrecht steunt echter Wiarda. Opstelten noemt het verheugend dat van de beschuldigingen van corruptie binnen het Amsterdamse korps niets in het rapport is terug te vinden. “Waarnemend burgemeester De Grave, de korpschefs Nordholt en Wiarda en ik hebben enige tijd terug al vastgesteld dat niets een hernieuwde samenwerking meer in de weg staat.” De Utrechtse burgemeester prijst het rapport van de commissie-Wierenga als een “zeer scherpe en heldere analyse van de problemen in de interregionale samenwerking”.