Plan Vaessen pleit voor het oprichten van één nieuw 'Museum Rotterdam'; Musea verdeeld over samenwerking

B en W van Rotterdam laten een beslissing over een mogelijke fusie van de vier gemeentemusea, waaronder Museum Boymans-van Beuningen, over aan het volgende college, dat op 12 april aantreedt. De meningen zijn sterk verdeeld.

“Musea moeten zich niet langer gedragen als verwende kinderen. Het zijn vaak volstrekt archaïsche instituten die onverantwoordelijk zijn in de interpretatie van hun maatschappelijke positie. Hoe lang is de politiek nog bereid om de musea financieel te ondersteunen, als ze niet reageren op nieuwe eisen van de samenleving?”

Musea, vindt Jan Vaessen, directeur van het verzelfstandigde Nederlands Openluchtmuseum, moeten, met behoud van hun museale identiteit, marktgericht en kostenefficiënt gaan werken, en zo publieksvriendelijk mogelijk zijn. Voor hem is het duidelijk dat ook bij de Rotterdamse gemeentemusea het roer om moet. In opdracht van de wethouder onderzocht hij de Rotterdamse problematiek en stelde een modelstructuur voor waarin Museum Boymans-van Beuningen, Maritiem Museum Prins Hendrik, het Museum voor Volkenkunde en het Historisch Museum worden geprivatiseerd: “Zodat de directeuren echt de verantwoordelijkheid krijgen voor hun bedrijf. Ze moeten af van die infantiliserende verhouding tot de politiek, waarbij alijd de wethouder of te krappe budgetten de schuld krijgen.” Tevens gaan de gemeentemusea in dat plan ten dele op in één nieuw Museum Rotterdam, waarin op technisch gebied wordt samengewerkt.

Het 'plan Vaessen' is het meest recente voorstel in de vorig jaar losgebrande discussie over een mogelijke nadere samenwerking tussen de Rotterdamse gemeentemusea. Afgelopen dinsdag zou het college van B en W een beslissing nemen over de richting die die samenwerking uit moest gaan, waarbij de keuze lag tussen de uitersten van volledige zelfstandigheid van de musea (die nu een dienst Personeel en Financiën delen), en volledige integratie. De uitspraak bleef echter uit: B en W besloten om de zaak over te laten aan het volgende college, dat op 12 april aantreedt.

Omziend hebben sommige directeuren spijt van dat 'euforische moment', eind 1992, waarop de vier directeuren, onder toenemende druk van de gemeente en van sombere toekomstscenario's voor de musea in het algemeen, besloten om adviesbureau Berenschot te laten onderzoeken of eventuele samenwerking inhoudelijke en financiële voordelen op zou leveren. Want sindsdien is de kwestie volgens hen uit de hand gelopen. Johan ter Molen, interim-directeur van Boymans: “Al tijdens de besprekingen die Berenschot met vijf werkgroepen uit de musea hield, bleek dat samenwerking eigenlijk geen meerwaarde zou opleveren, noch inhoudelijk, noch financieel. De veronderstelde voordelen kwamen niet uit.”

De aanbeveling van Berenschot, in augustus 1993, om de vier collecties en organisaties volledig te integreren, is door alle musea als te vergaand en niet onderbouwd verworpen. De wethouder vroeg vervolgens Vaessen om een 'second opinion'. Diens rapport, met als eindadvies een samenwerkingsmodel waarbij aan de identiteit van de musea en collecties niet wordt getornd, werd deze week vrijgegeven.

Over het eindadvies zijn bij de musea de meningen verdeeld. Volkenkunde en het Historisch Museum, als kleinste en financieel kwetsbaarste partijen voorstanders van nauwere samenwerking, willen het graag overwegen. De goed draaiende musea Boymans en het Maritiem, die streven naar privatisering en alléén verder gaan, wijzen het af. Zij kiezen voor 'collegiale' samenwerking met 'natuurlijke partners', musea met gelijkvormige collecties: het Maritiem wil nauw gaan samenwerken met het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Boymans richt zich op musea als het Stedelijk in Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum.

Karel Schampers, hoofdconservator van Boymans: “Vaessen heeft zijn ideeën over technische samenwerking niet getoetst aan de realiteit. Neem het plan voor een gezamenlijke dienst voor het onderhoud van de gebouwen. Die was er vroeger, maar die is juist ontbonden omdat het veel goedkoper bleek te kunnen wanneer de musea het ieder voor zich regelden.”

Bovendien vindt men bij Boymans dat voor de technische samenwerking à la Vaessen wel een erg zware aanpassing van de organisatiestructuur wordt gevraagd: een gezamenlijk bestuurscollege van de vier directeuren, onder voorzitterschap van de directeur van Boymans zou de leiding hebben van het Museum Rotterdam. De huidige musea zouden daaronder blijven bestaan, met hun eigen naam, collectie, kennis en programma's. “Je creëert een hele nieuwe bestuurstoplaag, met bovendien kans op een verlammende competentiestrijd. Zoiets is hooguit te verantwoorden als je er ook een forse inhoudelijke winst van verwacht. Maar wat kunnen de gemeentemusea inhoudelijk nu met elkaar delen? Hooguit de geschiedenis van Rotterdam,” aldus Schampers.

Lex Kater, interim-directeur van het Maritiem en voordien interimmanager bij tal van culturele instellingen, meent dat het doel dat Vaessen nastreeft - marktgerichter opereren, een publieksvriendelijkere opstelling en zo een vergroting van het politieke draagvlak voor de musea - simpelweg bereikt kan worden door privatisering. “En als de gemeente graag ziet dat de Rotterdamse musea zich ook eens gezamenlijk presenteren, dan stellen ze dat toch gewoon als eis? Daarvoor kunnen ze toch een kunstbeleid voeren? Ik ben hier pas een paar maanden, maar ik ben stomverbaasd over hoe weinig de gemeente zich hier inhoudelijk met de musea bemoeit. Het gaat alleen maar over financiën.”

Juist voor het tweede deel van het plan Vaessen, de privatisering van de musea, voelt de gemeente vooralsnog echter weinig, zoals onder meer blijkt uit een schriftelijke beoordeling ervan, vorige week, door de directie van de Rotterdamse bestuursdienst Sociale en Culturele Zaken. Het stadhuis zit duidelijk met het plan Vaessen in zijn maag. Het vindt het 'inspirerend', maar 'te bewijzen valt op grond van dit verhaal nog minder' dan op grond van de van cijfers voorziene plannen die de afzonderlijke musea onlangs indienden. Maar, concludeert de gemeente, 'tot zover kost het idee in ieder geval geen extra geld.'