Nieuwe rol sociale partners in sociale zekerheid onduidelijk; Kabinet omzeilt cruciale vraag

DEN HAAG, 25 MAART. Vier maanden heeft het kabinet nodig gehad om de adviesaanvraag te formuleren aan de Sociaal-Economische Raad (SER) over de manier waarop sociale verzekeringen als WAO, Ziektewet en WW in de toekomst moeten worden uitgevoerd. En nog is het erin geslaagd daarbij een eigen standpunt over een van de meest cruciale vragen uit de weg te gaan.

Die vraag is: wat wordt straks de rol van de sociale partners? De werkgevers- en werknemersorganisaties dus die de bedrijfsverenigingen besturen en goeddeels verantwoordelijk zijn gesteld voor het het almaar oplopende beroep op een sociale uitkering.

Het kabinet had zich voorgenomen een 'gerichte' en geen 'open' adviesaanvraag aan de SER te doen. Dat wil zeggen: het zou zelf tot een voorlopig standpunt komen over de organisatie van de sociale verzekeringen, waarover de SER dan nog mocht oordelen. Dat leek nog wel zo praktisch, gegeven het feit dat deze raad voor tweederde wordt bestuurd door de sociale partners. Men kan het Genootschap van Slagers natuurlijk in een open advies vragen wie in de toekomst de verkoop van vlees het beste kan blijven verzorgen. Vrij groot is de kans dat het advies zal luiden: de slagers.

Het kabinet geeft in zijn adviesaanvraag blijk van het besef dat het nodige op het opereren van werkgevers- en werknemersorganisaties aan te merken viel. Het onderzoek van de Commissie-Buurmeijer heeft dat vorig jaar afdoende uitgewezen. Staatssecretaris Wallage (sociale zaken) formuleert het zo: “De bevindingen van de parlementaire enquêtecommissie geven voedsel aan de gedachte dat, in de jaren tachtig, de sociale partners zich onvoldoende hebben gekweten van hun verantwoordelijkheden en zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van publieke belangen die in het geding zijn”. Deze ervaringen “zouden kunnen pleiten tégen bestuurlijke betrokkenheid van sociale partners bij de uitvoering van werknemersverzekeringen”, aldus de staatssecretaris.

Even verderop in de adviesaanvraag stelt Wallage echter vast dat voor de belangrijkste uitdaging van nu, het terugdringen of beperken van het aantal uitkeringen “commitment en de medewerking van de sociale partners van veel belang” zijn. “Vanuit dit perspectief lijkt het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheid door sociale partners juist wenselijk.” Hij wijst er ook op dat het terugdringen van een beroep op de werknemersverzekeringen door vrij recente wetswijzigingen meer een direct financieel belang voor de bedrijven zelf is geworden: het bonus/malussysteem bij de WAO bijvoorbeeld en de premiedifferentiatie in de Ziektewet.

Het kabinet laat de vraag over de rol van de sociale partners dus zelf onbeantwoord en vraagt de SER nu “nadrukkelijk een afgewogen oordeel over bestuurlijke verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen”. Ook een eventuele deelname van onafhankelijke deskundigen in de toekomstige regionale besturen moet daarbij aan de orde komen.

Dat het kabinet de keuze uit de weg gaat, heeft veel te maken met interne verdeeldheid. Dezelfde verdeeldheid die ook heeft verhinderd dat de Tweede Kamer vorig jaar het oordeel over belangrijke aanbevelingen van de Commissie-Buurmeijer achterwege liet en beslissingen daarover in feite doorschoof naar de komende kabinetsformatie. De motie-Wöltgens, waarin de Tweede Kamer zich in november voor regionalisering van de werknemersverzekeringen uitsprak en impliciet voor de opheffing van de bedrijfsverenigingen, werd door vrijwel alle fracties onderschreven. Op één na: het CDA. Toevallig wel de grootste regeringspartij en dat verklaart mede waarom het formuleren van een adviesaanvraag door het huidige kabinet met zoveel zuchten en steunen is gegaan.

In dezelfde motie-Wöltgens wordt uitgesproken dat de regionale uitvoering “in nauwe relatie tot de arbeidsbemiddeling bestuurlijk vorm zal krijgen”. Aangezien arbeidsbemiddeling het domein is van de Regionale Besturen voor Arbeidsvoorziening (RBA's), die door werkgevers, werknemers en de overheid gezamenlijk worden beheerd, heeft de Tweede Kamer in feite ruimte geschapen voor blijvende betrokkenheid van sociale partners bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

Wie een vergrootglas richt op zowel deze Kameruitspraak als op de adviesaanvraag van het kabinet, ontdekt een zekere voorkeur voor het tripartite bestuursmodel, naast een verdeling van verantwoordelijkheden tussen een landelijk bestuur en regionale organen. Daarboven komt, politiek inmiddels een onomstreden voornemen, onafhankelijk toezicht, zonder sociale partners.

Het tripartite model dat sinds enkele jaren bij de arbeidsvoorziening en de arbeidsbureaus bestaat - met behalve de RBA's het landelijk operende CBA - is zeker niet onomstreden. Partijen als de VVD, D66 en GroenLinks zien weinig in deze symbiose van politiek bestuur en maatschappelijk middenveld. Ook dat is, met het oog op de kabinetsformatie, een interessant gegeven. Dit jaar wordt het functioneren van CBA en de RBA's onderzocht - en dus de vraag of de tripartisering succesvol is geweest. Die evaluatie kan ook veel materiaal opleveren voor de keuze wie straks de werknemersverzekeringen mag beheren.

Zo goed als het SER-advies bij de kabinetsformatie nog een rol kan spelen. Als het tenminste op tijd komt. De vorige maal dat een kabinet bij de SER een adviesaanvraag over reorganisatie van de sociale verzekeringen indiende, kwam er inderdaad een advies. Zeventien jaar later.

    • John Kroon