Met Belgie heb ik niets te maken; Het katholicisme volgens een hostieverbrijzelaar

Hugo Claus is geen Belg, geen purist en bovenal geen liefhebber van het katholieke geloof. “De schaamteloosheid van de paus tart alles.” Hij was geschokt toen hij bij het doornemen van zijn verzamelde gedichten merkte hoeveel daarin betrekking heeft op het katholicisme. Tegen religie daarentegen heeft hij niets: “Daar heb ik de grootste eerbied voor.”

De bel in de Antwerpse Hasquestraat is kapot. Je stapt uit de lift recht zijn woning binnen, een oude suikerfabriek, zegt hij glunderend, immens, labyrintisch, wit. Waar je ook kijkt tekeningen, litho's, schilderijen, ze staan zelfs, verpakt in noppenfolie, rijen dik tegen de muur. Hij woont hier drie jaar, hij denkt aan verhuizen, het is hier te groot. Als je 's avonds in een hoek televisie zit te kijken, zegt hij, voel je je omringd door duistere woestijnen. Dat verhuizen altijd weer, een ziekelijke drang noemt hij het.

Twee katten rennen door de ruimte, hij gooit ze een stoffen muisje toe, de grootste poes doet een accurate sprong.

Hugo Claus: “Die hebben we gevonden in de velden van Frankrijk. Een lapjeskat die op sterven na dood was, we hebben haar opgelapt. Ze heeft hier voor twee dochters gezorgd.”

Een derde kat verschijnt ten tonele. “Die ene is volstrekt geperverteerd. Je gooit dat pluisballetje weg en ze apporteert. En dan zit ze aan je broek te kroelen tot je het weer weggooit. Een geperverteerd dier.”

Ter zake. Van een kleine voorliefde naar de grote woede. Toen Claus begon te schrijven, aan het einde van de jaren veertig, was Vlaanderen overwegend katholiek. Lees Het Verdriet van België, lees Omtrent Deedee of De Wangebeden, ga naar een opvoering van Vrijdag, hij verwijst naar katholieke rituelen, wierook en nonnen zweven over de bladzijden, katholieke moraal zit de personages op de hielen.

Claus: “Onlangs heb ik mijn verzamelde gedichten doorgenomen. Een ontstellend grote portie daarvan gaat over katholieke zaken. Ik had gedacht dat die katholieke elementen sporadisch voorkwamen in mijn gedichten. Maar nu ik ze voor het eerst achter elkaar las, raakte ik ontsteld door het grote aantal referenties aan het katholicisme. Ik verwijs ernaar met weerzin, met afschuw, maar juist daardoor erken ik het ook.”

Veel Vlamingen van veertig en ouder hebben het katholicisme van hun jeugd de rug toegekeerd tijdens hun adolescentie, toen ze een jaar of zestien, zeventien waren, kom, twintig misschien.

“De eerste sporen van verweer werden bij mij zichtbaar toen ik negen, tien jaar oud was.”

U was dan wel heel précoce.

“Oh ja, ik heb mijn Eerste Communie gedaan toen ik vier was. Daar was een speciale dispensatie voor nodig van Monseigneur Lamiroy, bisschop van Brugge. Dat was echt iets uitzonderlijks. Ik ben al heel vroeg in het klooster opgevoed, ik was achttien maanden toen ik ernaartoe werd gebracht en ik ben er gebleven tot ik elf was. De nonnen vonden dat ik veel vroeger dan andere kleuters al het verschil kende tussen goed en kwaad. Vandaar.

Taboe

“Als ik negen ben, misschien tien, ga ik met de andere jongens ter communie, en verbrijzel de hostie tussen mijn tanden. Ik verwacht dat ik door de bliksem zal worden getroffen, maar er gebeurt niets. Op dat moment denk ik: daar in dat altaar, in die tabernakel, zit niemand.

“De afschuwelijke eenzaamheid die daarop gevolgd is, de angst, de paniek. Voor het eerst doorbreek ik een taboe. Daarna heb ik het systematischer gedaan. Op mijn veertiende, mijn vijftiende was ik helemaal een heiden. Toen ik achttien, negentien was, en ik de surrealisten begon te lezen, werd ik wat zelfzekerder. Later kwamen nog de randfenomenen. In Parijs trok ik nonnen op straat hun kap af, Simon Vinkenoog fotografeerde dat dan. Op die foto's zie je nonnen verwilderd met hun armen slaan.”

Wat wekt uw afkeer tegen godsdienst op? Het ethische? Het rituele?

“Mensen koesteren een sentiment dat ik honorabel vind. Ze stellen vragen over hun oorsprong, er is iets dat boven hen uitgaat. Wat is bijvoorbeeld die rare melancholie die over hen neerdaalt op woensdag bij zonsondergang? Laten we dat het religieuze of het transcendentale noemen. Daar heb ik de grootste eerbied voor. Maar ik verzet me tegen het tuig dat van iets wezenlijks gebruik maakt voor eigen gewin, dat van dat sentiment een middel maakt om macht, geld, heerschappij te verwerven en te bestendigen. Vandaar dat ik in mijn gedichten tegen de paus - toen die voor het eerst naar België kwam - dezelfde infamie en platheid heb gehanteerd als de katholieken wanneer zij hun voorschriften aan ons opdringen. De schaamteloosheid van de paus tart alles. Hij gaat in Zaïre zeggen dat voorbehoedmiddelen en condooms verboden zijn terwijl de mensen daar sterven van honger en aids. Of neem de dood van koning Boudewijn. Een groot percentage van het publiek, van wie ik dacht dat het vatbaar was voor rede, zie je ineens terugkeren naar de Middeleeuwen. Af en toe is de katholieke kerk mild en begrijpend, soms zelfs vooruitstrevend, maar alleen voor zover het haar goed uitkomt. Soms wijkt ze terug, soms geeft ze mee. De katholieke kerk is niet op een rots gebouwd maar op caoutchouc, op rubber.”

Rudy Kousbroek heeft eens in de Brusselse Beursschouwburg een lezing gehouden over de Nederlandse taal. In het begin van de jaren vijftig, zo zei hij, ontmoette hij in Parijs een wat forse jongen uit België, die een voor hem volstrekt ontoegankelijke taal gebruikte. Maar na drie maanden sprak die jongen een Nederlands dat van dat van de Hollanders nauwelijks te onderscheiden viel. Hij had alleen nog een licht Vlaams accent, net genoeg om een beetje afstand, een beetje trots te bewaren.

“Nee, dat heeft veel langer geduurd. Mijn eerste vrouw was een Nederlandse, al woonde ze in Oostende en kende ze Westvlaams. Omdat ik me geneerde voor mijn accent, heb ik van haar een beetje keuriger Nederlands leren praten. Daarna, in Parijs, heb ik mijn taal door mijn omgang met Nederlanders in een jaar of twee gepolijst, met behoud van dat vleugje Vlaams. Met mijn vrouw sprak ik in Parijs Westvlaams, dat zal Rudy Kousbroek wel bedoeld hebben. Zo schermde ik me een beetje af, het gaf me intimiteit.

Telefoon

Waarom bent u nooit in het Engels of het Frans gaan schrijven?

“In vreemde talen ben ik niet op mijn gemak als ik precies wil vertellen wat ik wil. Je kunt alleen maar schrijven in de taal van je moeder - Conrad en Nabokov blijven uitzonderingen. Ik heb het Vlaams van kinds af aan meegekregen en dat blijft bij mij resoneren. Hoog-Nederlands of Engels of Frans gebruik ik om uit te leggen hoe bijvoorbeeld de telefoon werkt.”

Maar is iedere Vlaamse schrijver niet onzeker over zijn taal? Je hebt het dialect, je hebt de schooltaal, die daarvan afwijkt maar die je ook niet goed Nederlands kunt noemen, je hebt het normerende Nederlands van Nederland, voor uw generatie klinkt het Frans nog mee.

“Die onzekerheid is juist een voordeel. Die maakt je alert, die geeft openheid. Ik ben allesbehalve een purist: gallicismen, dialect, het kan allemaal verrijkend zijn. Het hangt er maar van af hoe je het hanteert.

“Lamentabel is het Hollands onbegrip hierover. U weet dat ik mijn stuk Vrijdag geschreven heb in een zelfgemaakt Nederlands, met Vlaamse wendingen en hier en daar wat Westvlaamse woorden erin. De dag voor de première in Amsterdam komt Manuel van Loggem naar de generale repetitie. Hij vindt het prachtig maar, zegt hij, die hele taal moeten jullie toch gauw omslaan. Nu had ik die acteurs helemaal gecoacht om juist die taal te spreken, dat had enorm veel moeite gekost, ik kon niet geloven dat Van Loggem dat werkelijk meende. Ja, zei hij, dat pikken wij toch niet. Men zal beginnen te lachen met dat koeterwaals.

“Een van de actrices, Elisabeth Andersen, kreeg de tranen in haar ogen, die Van Loggem was een autoriteit in het theater. Al dat moeilijke, prachtige werk voor niets, één dag voor de première. Ik heb de heer Van Loggem toen eigenhandig uit de kantine verwijderd.”

Hugo Claus is een republikein. Hij begroette koning Boudewijn ooit met een luid 'Meneer', iets te luid, geeft hij graag toe. Maar hij kan zich niet interesseren voor de politiek van dit land, de Vlaamse niet en de Belgische niet. Toch heeft hij zich enkele jaren geleden krachtig ingezet om de linkse krant De Morgen te redden van de ondergang.

“Je kunt toch niet accepteren dat het journalistieke landschap hier in Vlaanderen uitsluitend katholiek en liberaal zou zijn. Wat je als rechtvaardigheid mag verwachten is dat er daarnaast nog een krant kan bestaan die andere dingen meldt of die een andere kijk op het gebeuren heeft.”

Jaren geleden heeft u eens een pamflet ondertekend ter verdediging van la belgitude, het specifiek Belgische.

“Persoonlijk heb ik met België niets te maken, ik ben meer in Frankrijk dan hier. Ik heb mij nooit een Belg gevoeld, wel een enkele keer een Vlaming. Ik vond het komisch om dat pamflet te ondertekenen. Er zit ook een perverse kant aan. Als Belg ben je het voorwerp van hoon en spot. In Parijs lachen ze de Walen en de Brusselaars uit, in Amsterdam de Vlamingen. Die toestand van paria vind ik zo slecht nog niet.”

    • Geert van Istendael