In de prehistorie droeg men geen vlaggend ondergoed; Themapark Archeon: archeologie en hussepot voor iedereen

Vanaf Goede Vrijdag kan men zich in het Archeon, het Archeologisch themapark in Alphen aan den Rijn door speciaal opgeleide 'archeotolken' laten voorlichten over het leven in de Prehistorie, de Romeinse tijd of de Middeleeuwen. De prehistorische tolken krijgen daartoe les in het werken met vuursteen en de Romeinen leren schermen. De geschiedenis wordt hier gepopulariseerd voor een groot publiek. “Dat sommige bezoekers toch het park verlaten met het idee 'Zo was het dus', is een risico dat niet uit te sluiten valt.”

Archeon. Archeologisch themapark Alphen aan den Rijn. Dag. geopend van 1 april t/m 31 okt., 10-18u. Inl. 01720-47777.

Het is koud in de Romeinse herberg. Buiten regent het pijpestelen en worden de modderpoelen groter. In het fleurig beschilderde triclinium, de eetzaal op de eerste verdieping, krijgt een doorweekte groep twintigers en dertigers instructie. Het zijn Romeinen in spe, recruten die binnenkort in de legerplaats Traiectum ad Rhenum moeten rondlopen - als legionair, als tempeldienaar, als slaaf, of als haruspex, waarzegger. “Romeinen moeten we worden,” kondigt een van de twee docenten strijdlustig aan. “En dat is echt niet moeilijk, want bedenk: niets menselijks is de Romeinen vreemd.”

Twintig minuten later is de les al weer voorbij. Een jongen op de tweede rij bladert door de uitgedeelde syllabus met achtergrondinformatie, en leest een standaardzin van een tempelgebed voor: “Zegenende Ceres geef ons een overvloedige oogst.” Hij vraagt zich af “of je dit allemaal moet kennen, in het Latijns.” “Zo snel mogelijk,” luidt het antwoord, maar tijd voor nadere explicatie is er niet: aan de andere kant van de houten Romeinse 'Noordbrug', wacht de toekomstige gidsen van het Archeologisch Themapark 'Archeon' al weer het volgende college. In het auditorium van het futuristische entreegebouw (twee jaar geleden nog het Nederlands Paviljoen op de Expo in Sevilla) zal iemand vertellen over de 'Tijdmachine': een computergestuurde expositie die vanaf 1 april de bezoekers van het Archeon wegwijs moet maken in de geschiedenis van de aarde - voordat ze in de open lucht 'het verleden aan den lijve' kunnen ondervinden.

Tweeëneenhalve week voor de opening biedt het Archeonterrein, 60 hectare voormalig weiland tussen de N11 en de nieuwe wijk 'Ecolonia' in Alphen aan den Rijn, nog een troosteloze aanblik. De gereconstrueerde hutten uit de prehistorie baden in de modder, bulldozers halen grond overhoop rondom de splinternieuwe huizen van het Middeleeuwse stadje, in het entreegebouw wordt gezaagd en getimmerd, en overal werken bouwvakkers in regenkleding aan onaffe gebouwen. Het is moeilijk voor te stellen dat hier al op Goede Vrijdag drie- tot vijfduizend archeologische toeristen rondlopen, maar de stafmedewerkers van het Archeon maken zich niet ongerust. De bouw, dat is de zaak van de aannemer, hún prioriteit is de opleiding van de honderdtwintig full- en part-timers die straks in historische kledij de bezoekers van informatie moeten voorzien.

Archeotolken

In het Archeon maakt de bezoeker kennis met drie tijdvakken: de prehistorie, de Romeinse tijd, de Midddeleeuwen. De stoomcursus voor de zogeheten 'archeotolken' is overladen. Niet alleen moeten ze enige kennis hebben van het tijdvak waarin ze rondlopen, ze moeten ook scènes opvoeren, verhalen vertellen en leren omgaan met lastig publiek. De prehistorische tolken krijgen les in werken met vuursteen, de Romeinen leren schermen en voor de Middeleeuwers is er een Middelnederlandse les (20 minuten) en een praktijkcollege 'aanleg van moestuinen'. Alles in een bestek van zeventien dagen, en met een behoorlijke huiswerklast: iedere archeotolk heeft een stapel syllabi meegekregen waarin tot in detail staat beschreven welke rol hij speelt en welke historische informatie daarbij hoort.

Lia Berlage ('kleindochter van'), met 61 jaar de oudste van de archeotolken, wordt herderin in de Middeleeuwen. Ze heeft vroeger gewerkt als fysiotherapeute en notarisassistente en solliciteerde bij het Archeon omdat ze “niet wilde stilzitten in de aanleunwoning van het bejaardentehuis.” Een historische vooropleiding heeft ze niet, maar daarin staat ze niet alleen. Hoewel zich tussen de archeotolken afgestudeerde classici en historici bevinden, zijn de meeste niet historisch geschoold. Een kleine rondvraag levert een scala aan vroegere beroepen op: plafondverkoper, leraar, geluidstechnicus, militair, taxichauffer, kweker, uitkeringstrekker. Er is een musicus die als troubadour in het sprookjespark het Land van Ooit heeft gewerkt, en zelfs een kunsthistoricus die bijna was gepromoveerd op klassieke Javaanse tempels.

“We hebben hier alle mogelijke mensen,” zegt Gitta Paans, die de introductiecursus voor de archeotolken coördineert. “Bij de sollicitatiegesprekken hebben we niet geselecteerd op historische kennis, maar op vaardigheden en uitstraling. Een bewoner van het mesolithische dorp moet een beetje een natuurmens zijn, een Romein moet kunnen acteren, en aan een middeleeuwse schrijnwerker die niet kan timmeren heb je niets. We houden er dus rekening mee dat onze tolken zeker in het begin geen antwoord zullen weten op specialistische vragen van het publiek.” Paans, die zelf drie jaar als zeventiende-eeuwer werkte in het Amerikaanse 'Living History'-park Plimoth Plantation, acht dat geen bezwaar: “In tegenstelling tot Plimoth Plantation of het Buitenmuseum in Enkhuizen worden in het Archeon geen rollen gespeeld: onze tolken spreken in de derde persoon over de personages die ze verbeelden en kunnen de bezoeker altijd verwijzen naar de informatiebalie in het hoofdgebouw. Als ze maar geen onzinverhalen ophangen.”

Onzinverhalen zijn ook het thema van het college 'Opgravingstechnieken', waarmee de tweede dag van de cursus begint. Met behulp van een overheadprojector legt een archeoloog uit welke vragen je krijgt bij het werken aan een opgraving. “De meeste mensen willen twee dingen weten: 'Heeft u al dinosaurusbotten gevonden?' en: 'Wat is de waarde van uw vondsten?' Het is duidelijk waar het beeld van de archeologie vandaan komt: Steven Spielberg en televisieprogramma's als Kunst & Kitsch.” Wanneer de docent het echte archeologenwerk aan de hand van dia's toelicht, blijkt dat ook de tolken onverwachte vragen kunnen stellen. Bij een foto van een massagraf uit de Bronstijd vraagt een toekomstige bewoonster van een van de prehistorische dorpen of het niet de Vikingen waren die deze slachting hebben aangericht.

Troffelen

Na de diashow is het tijd voor de praktijk. In de stromende regen maken de tolken kennis met typisch archeologische werkzaamheden als jalonneren (terrein afbakenen), schaven (grond in dunne laagjes verwijderen) en troffelen (voorzichtig graven). Het opgravingsterrein - waar vanaf april iedereen kan voelen wat het is om archeoloog te zijn - is zoals alles in het Archeon een natuurgetrouwe reconstructie; maar het materiaal dat wordt opgegraven is echt. Uit de kelders van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek kwamen dozen vol scherven, die van te voren in de grond zijn gestopt. De inventarisnummers staan er nog op.

Op de rand van een van de graafkuilen staan twee archeotolken te praten. Ze hebben zich aangemeld voor de prehistorie (“een vuurtje stoken, buiten werken, zo'n leven wil je”), en vinden het jammer dat het niet is toegestaan om in hun hutten te overnachten. Om reisgeld en -tijd te besparen, zoekt de een naar een plaats om binnenkort een tentje op te zetten; de ander heeft naar eigen zeggen niet meer dan een droge sloot en een slaapzak nodig.

Twee andere tolken vertellen naast de razendsnel uitgetroffelde Middeleeuwse beerput over hun toekomst in het Archeon. Joost van Veen wordt Romeins soldaat, René Driesen barbier en chirurgijn, “twee beroepen die in de Middeleeuwen dicht bij elkaar lagen.” Ze hebben gesolliciteerd “vanwege het spektakel” en kijken vooral uit naar het verhalen vertellen op locatie. De verplichte literatuur hebben ze al doorgenomen, ze weten ongeveer wat ze moeten doen en laten. “Archeotolken dragen geen zonnebril en geen bh,” citeert Van Veen de syllabus. “Kauwgom kauwen en moderne liedjes zingen is niet toegestaan.”

Aan het eind van de middag, na een 'diepgaande bespreking over algemene kenmerken' van de verschillende tijdvakken, worden de kledingregels tijdens een vragenuurtje nog wat aangescherpt. Bij de leren kostuums voor in het mesolithische dorp moet je oppassen dat je ondergoed niet vlagt. Make-up en after shave zijn overal taboe, trouwringen mogen in de Middeleeuwen gedragen worden - maar dan wel zonder steen. Een instructrice waarschuwt dat de kleding door de haardvuren in de huizen en hutten ogenblikkelijk naar rook zal ruiken (“Dat hoort erbij, die stank is historisch verantwoord”) en deelt tot slot kledingpakketten uit. Nog niet alle pakken zijn af. Vooral de Romeinen zullen de komende dagen nog zonder uitrusting moeten oefenen.

Een week later loop ik van de Middeleeuwen naar de Prehistorie met G.F. IJzereef, directeur van het Archeon en hoogleraar experimentele archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. De zon schijnt, de archeotolken hebben les in koken op locatie, en het aantal druk werkende bouwers en handwerkslieden is sinds vorige week verdubbeld. Uit het Romeinse woonblok klinkt Elvis Presley en in het badhuis, dat over niet al te lange tijd gebruikt moet worden als bezoekerssauna, zaagt iemand blokken piepschuim op maat - ter stoffering van de hunebedden in het Trechterbekerdorp.

IJzereef vertelt over het bouwen van het Archeon, in superlatieven die doen denken aan een klassieke spektakelfilm uit de jaren zestig. Het park heeft 69 miljoen gulden gekost, 57 miljoen daarvan werd geïnvesteerd door ABN/Amro. Er is tweeëneenhalf jaar aan gebouwd, onder onmogelijke omstandigheden omdat de veenbodem als een spons werkt. Op het terrein zijn tienduizenden bomen geplant (“alle soorten loofbomen die in Nederland groeien”) en waterpartijen aangelegd die in totaal 6 hectare beslaan. Na 1 april zal - met de hand, anders stoort het de bezoekers - worden doorgebouwd aan megaprojecten als een replica van een Romeins schip, een kerkje naast het Middeleeuwse klooster, een amphitheater en een legerkamp. Alle bouwwerken in het Archeon zijn gebaseerd op opgravingen die in Nederland gedaan zijn.

Bakpunt

“Archeon heeft twee belangrijke doelstellingen,” zegt IJzereef, wanneer we weer in zijn kantoor zitten. “De ene is het bevorderen van de experimentele archeologie. De minutieuze reconstructies die we hier van het verleden maken, geven ons de mogelijkheid om hypotheses te toetsen over het menselijk gedrag in vroeger eeuwen. Zo kunnen we testen hoe duurzaam vuursteen was in het dagelijks gebruik en hoe arbeidsintensief het was om het te bewerken. We kunnen hier zien hoe lang een hut uit de Steentijd overeind blijft. En in onze prehistorische pottebakkersoven kunnen we bijvoorbeeld bepalen wat het bakpunt van klei was, en hoeveel het kromp.

“Veel belangrijker is natuurlijk de educatieve functie van het Archeon. Het is de bedoeling dat hier de wetenschap voor het brede publiek vertaald wordt. Populariseren is noodzaak. De kloof tussen archeologie en de geïnteresseerde leek moet gedicht worden, en een archeologisch themapark is daarbij een uitstekend middel.”

De opzet van het Archeon, vertelt IJzereef, is geïnspireerd door vergelijkbare projecten in het buitenland: Romeins Xanten, het herbouwde verleden in Lejre (Denemarken), de reconstructie van het York van de Vikingen. Bij sommige historici ontmoeten deze vormen van 'Living History' felle kritiek. De historische themaparken zouden het verleden versimpelen, reduceren tot een dagje uit. Ze zouden een frisse, vrolijke droomwereld scheppen die niets meer te maken heeft met de harde werkelijkheid in vroeger eeuwen. En waar het de reconstructie van het vroegste verleden betreft, de periode waarover geen geschreven bronnen bestaan, zouden ze zich verliezen in op niets gebaseerde gissingen.

IJzereef is niet onder de indruk van de kritiek. “Het verleden is verdwenen; het komt nooit meer terug. Maar wij hebben ook niet de pretentie om de vroegere wereld terug te bouwen. Wij geven een zo verantwoord mogelijke reconstructie en zijn ons van de beperkingen bewust; daarom spreken onze archeotolken ook in de derde persoon. Dat sommige bezoekers toch het park verlaten met het idee 'Zo was het dus', is een risico dat niet uit te sluiten valt. En dat specialistische onderzoekers veel kritiek op onze reconstructies zullen hebben, is ook niet te vermijden. Maar we hebben het park ook niet voor historici gebouwd.

“Er wordt wel gezegd dat Gravendam, ons middeleeuwse stadje circa 1350, er veel te netjes uitziet, en dat de bewoners veel te welvarend zijn. Maar die gedachte is gebaseerd op stereotypen. Denkend aan de Middeleeuwen ziet men een stad met poep en huisvuil, kippen en loslopende varkens in de straat, met de voortdurende dreiging van armoede, marteling en verkrachting. In werkelijkheid was het midden van de veertiende eeuw een tijd van hoogconjunctuur, met minder inkomensverschillen dan in de Gouden Eeuw. En ja: de huizen zien er nieuw uit; maar ze worden er voor mij echt niet historischer op wanneer ze over een tijdje verweerd zijn. Ook in de Middeleeuwen werden nieuwe huizen gebouwd.”

Eigen aard

In het auditorium, dat zoals ieder gebouw in het Archeon gezellig naar rook ruikt, hebben de archeotolken inmiddels hun eerste theorieles 'verhalen vertellen'. In minder dan een uur jaagt de theaterdocent er een groot aantal richtlijnen doorheen, variërend van 'Gebruik je lijf' en 'Bewaak de rode draad' tot 'Eigen aard is goud waard'. In de dagen voorafgaand aan de opening van het park zullen de tolken hun scènes en verhalen uitentreure op locatie oefenen, eerst voor eigen publiek, daarna ook voor speciaal geïnstrueerde 'lastige' luisteraars.

Coördinator Gitta Paans is tevreden over de voortgang van de stoomcursus. “De mensen zijn veel zekerder dan een week geleden. Er begint teamgeest te komen in de groepen, de zon schijnt, en wie nu door het park loopt heeft niet meer het idee dat het nooit afkomt voor de opening. Het wordt spannend op 1 april, maar het gaat wel lukken.”

Niet iedereen is even optimistisch. Een ex-archeoloog, die als bierbrouwende minderbroeder in het klooster gaat werken, heeft niet het gevoel dat hij de afgelopen week veel geleerd heeft. Hij is er bovendien niet van overtuigd dat het Archeon een succes wordt. “De directie gaat er vanuit dat hier jaarlijks driekwart miljoen bezoekers komen. Tegelijkertijd is de toegangsprijs bepaald op ƒ 23,50. Dat zijn prijzen die je betaalt voor een pretpark. Maar het Archeon is toch eerder een museum dan een pretpark. De bankiers en de plannenmakers zullen het wel allemaal goed onderzocht hebben, maar in de archeologische wereld wordt hard gelachen om dit soort hoge verwachtingen.”

Het Archeon moet het misschien eerder hebben van mensen als René Driesen, die vanmorgen in zijn chirurgijnspak (“een beetje ruim, maar zo was dat in de Middeleeuwen”) gesmuld heeft van de originele 'hussepot' die door de Gravendammers is gekookt. “Met een doorsnee weergave van het alledaagse leven, zoals in een historisch museum, zouden we nooit 750.000 bezoekers per jaar trekken. Daarom bieden we hier spektakel. Er staat hier misschien geen achtbaan op het terrein, maar wij hebben een Romeins bad - en niet te vergeten een middeleeuwse barbier.”