Het epos van Claus: vet en aards

“ 'Gaat het over de school in Haarbeke?' vroeg Mama, licht, licht op kousevoetjes, en Louis zag haar op haar slofjes met pompons door zijn kamer lopen.”

De piepjonge Louis Seynaeve heeft een boek geschreven dat hij zal gaan inzenden voor de prijskamp die door de Vlaamse gazet Het Laatste Nieuws wordt gehouden, en vooral de vrouwelijke familieleden van de adspirant-schrijver branden van nieuwsgierigheid naar de inhoud van het manuscript.

“ 'Als 't maar aandoenlijk is,' zei Meerke, 'Aandoenlijk of historisch. Is het historisch, Uw historie?'

'Ofwel,' zei Mama, 'ofwel zit hij ons hier af te loeren met zijn gemene oogjes en te luisteren met zijn hazeoren en schrijft hij op wat wij doen en zeggen.' ''

Wat Mama er ook van mocht denken, Hugo Claus heeft bij het schrijven van Het verdriet van België niet met gemene, maar integendeel met de ragfijne facet-oogjes van een vlieg naar het leven in en om een Vlaams provinciestadje gekeken, honderden gevoelige lenzen richtend op het vaak onbegrijpelijke grote-mensengedoe in de omgeving van zijn wankelmoedige hoofdpersoon, Louis Seynaeve.

Via minimale wijzigingen van gezichtspunten die soms vertekend, dan weer verstikkend herkenbaar zijn, biedt Claus de lezer een caleidoscoop aan meeslepende en ontroerende portretschilderingen, tijdsbeelden, situaties en gemoedstoestanden, een doos van Pandora waaruit betoverende en hallucinerende beelden over ons heen tuimelen.

Claus' Vlaamse epos - voor het eerst gepubliceerd in 1983 en inmiddels 17 maal herdrukt - omvat de perioden van vlak voor, tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog.

Louis is door zijn ouders aan de zorgen van de zustertjes in het internaat van Haarbeke toevertrouwd, en wát voor zustertjes! Het is of alleen het Italië van Fellini en het Vlaamse platteland van Claus zulke vreemdsoortige schepsels, verwrongen door fanatiek of kwezelachtig geloof, heeft voortgebracht.

De kloosterschool lijkt een kookpot waarin door nonnen met namen als Econome, Sapristi, Sint Gerolf en Koedde - met 'naar koelte, nootmuscaat en stijfsel geurende borst' - naar hartelust wordt geroerd. Een pot waarin Louis en zijn leeftijdgenoten ronddraaien en op die manier lijken te worden klaargestoofd voor een leven vol gruwelijke geheimzinnigheid.

Claus weet een wereld te scheppen die totaal anders van aard, van aanzien, van uitdrukking en beleving is dan die van buurland Nederland.

Roeselare, Haarbeke, Deinze, Bastegem, Walle, bevolkt door figuren die namen als Tetje dragen, Nonkel Armand, Madame Laura, Smedje Snee, Dondeyne of Bibi Zwo, hij maakt er onbekende en intrigerende gebieden en bevreemdende wezens van die je als lezer een gevoel van onrust en heimwee geven en je de neiging bezorgen om onmiddellijk een reis naar Gent te ondernemen om vandaar op speurtocht naar dat mythische bestaan te gaan.

Het Vlaams zoals Claus het gebruikt is een schatkamer vol verrassende vondsten, aards en vet, schilderachtig, beeldend en eindeloos in variatie.

Het verhaal van de naar volwassenheid groeiende jongen is al vele malen eerder geschreven - Woutertje Pieterse en Kees de Jongen zouden de oudere broers van Seynave kunnen zijn - maar de taal waarmee zo'n proces van bewustwording tot leven wordt gebracht, de woordkeus en woordenrijkdom, de kleur van de zinnen en de grilligheid van de fantasie, dat zijn de ingrediënten die een verhaal, hoeveel malen eerder al verteld, springlevend maken. Claus toont zich daarin een grootmeester.

Begerend vlees

In het verloop van Het verdriet van België ondergaan de mensen in Louis' omgeving, onthutst door hem gadegeslagen, gedaanteverwisselingen: eerbiedwaardige tantes veranderen in bergen hijgend en begerend vlees, geliefde ooms verworden tot dollemannen die, drollen verorberend, in schuurtjes worden opgesloten en stoere jongemannen gaan plotseling 'op ballet' in Gent.

“Hij hief een been, schoof het naar achteren, spreidde zijn armen.

'Arabesque!' riep hij, 'Assemblé' en plofte in het gras. (-) Hij betaalde de lessen in Gent met wat hij van de boeren kreeg aan wie hij zijn danspassen liet zien.''

De grootste nachtmerrie voor Louis is dat Vlieghe, de intens bewonderde vriend en zijn toeverlaat in de jaren van de nonnenschool, zich om onverklaarbare reden van hem afkeert. Vlieghe wordt een vijand.

En Louis' afstandelijke, mooie Mama ontpopt zich tot een wufte moffenmadame die zich weinig aan zoon en echtgenoot gelegen laat liggen terwijl Pappa - “ 'Filet américain' zei Pappa dromerig, 'met kappertjes' ” - een snoeplustige lafaard blijkt die zich alles laat aanleunen, van de ontrouw van zijn Constance tot het fascinerende 'Vlaams Front' toe.

Het Vlaanderen van '40-'45 lijkt een rechts land, verscheurd door wantrouwen, haat zelfs, waar het de Franstalige Walen betreft en dientengevolge zwaar leunend op een Germaans fascisme.

“Het ging erover dat Dietsch und Deutsch aus einer Wurzel ontstaan waren . . . Daarna danste Louis de quadrille van 'Mie Katoen'.”

Genadeloos en toch met een verbazingwekkend liefdevolle blik kijkt Claus naar het Vlaamse land, naar het geheul van de Breugeliaanse figuurtjes, het aalachtige gekronkel onder de bezetterslaars, het antisemitisme dat dom en kinderachtig keer op keer de kop opsteekt.

Als Louis, in arren moede lid geworden van de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen, na een spartaanse sportbeoefening een ijskoude douche neemt ontdekken de overige manschappen zijn 'verschrompeld slurfje, bevroren door de wind uit eeuwige gletsjers.'

“ 'Daarmee gaat ge geen Mädels kunnen bedienen, Seynave' ”, wordt honend opgemerkt.

“Hij wiebelde met zijn hoofd, een jongen met openhangende ongave scharlaken mond, die niet alleen verdoemd was maar nog onnozel op de koop toe.”

En Simone, het stille meisje in 'een zijdeachtig jurkje met herfstkleurige bloemen', in wie Louis een gelijke geest dacht te treffen verkiest, o donderslag, de dommekracht Jaques van de Sompel boven hem.

“ 'Als Jaques aan mij komt, en hij legt zijn vinger hier . . .' de del aaide over haar linkerborst, 'is het alsof ik wegdraai, alsof ik van mijzelf ga vallen. En bij U . . .',” om onze onnozelaar vervolgens te verwijten dat hij altijd over Socrates en Guido Gezelle vertelt: “ 'Het is leerzaam maar niet wreed geestig.' ”

Weergaloos mooi is de scène nadat Mama een passage uit Louis' eerste schrijfsel (een van-dik-hout-zaagt-men-planken kasteelvertelling) aan de vrouwelijke Seynaeves heeft voorgelezen. “. . . langs de top van zijn Seynaeveneus loensend zag hij de bijna onbewogen wrede blik die zich in hem haakte, terwijl ze murmelde en hem tegen zich aanduwde. In geen jaren was hij zo dichtbij haar geweest.

Onafhankelijk van hem zelf ging zijn hand naar omhoog en kroop als een bevrijd koel kalm vlezig dier langs haar schouder, haar keel, haar kaakbeen.

'Blijf liggen,' zei zij.

Louis sluit zijn ogen, wrijft zijn nek tegen zijn moeders borst.

'Ik mag dit nooit vergeten, blijdschap is iets dat bestaat, Mama.' ''

De cirkel is rond, de terugkeer van en naar zijn moeder is als het losknopen van wat een onontwarbare kluwen leek.

Louis verscheurt zijn kasteelroman en schrijft een nieuw begin: de eerste regels van wat Het verdriet van België zal gaan worden staan op papier.

Ik zou kunnen, en willen, blijven citeren, Het verdriet van België is boordevol woorden, zinnen en situaties die je het hart doen opspringen. Claus heeft zo magnetisch geschreven dat plotseling, midden op de dag tijdens het werk, de onweerstaanbare drang kan ontstaan om naar huis te rennen om gulzig verder in zijn epos te lezen.

Een Vlaamse Odyssee om elke Nederlander - de leden van de spellingscommissie niet vergeten! -, en elke Belg cadeau te doen.

Levet skone, Louis Seynaeve, en levet skone, Hugo Claus.