Grote bezwaren in Kamer; Kabinet voor centrale aanpak misdaadbendes

DEN HAAG, 25 MAART. Het openbaar ministerie gaat landelijk leiding geven aan de bestrijding van de zware georganiseerde criminaliteit. In de Tweede Kamer bestaan grote bezwaren tegen deze landelijke aanpak.

Minister Van Thijn (binnenlandse zaken en justitie a.i.) heeft gisteren bekendgemaakt dat het kabinet deze aanbeveling van de commissie-Wierenga overneemt. De financiering van de verschillende interregionale rechercheteams zal volledig en rechtstreeks gebeuren door het rijk.

Tot nu toe wordt er niet landelijk leiding gegeven aan de interregionale rechercheteams die belast zijn met de bestrijding van de zware misdaad. De teams worden betaald door regiokorpsen die mankracht leveren, en door het ministerie van justitie. De reden hiervoor is dat het kabinet en de Tweede Kamer wilden voorkomen dat in Nederland een afzonderlijke justitiële super-politie zou ontstaan naar het model van bijvoorbeeld de Kriminalpolizei (Kripo) in Duitsland.

Met de directe financiering van de interregionale teams door het rijk en het landelijk leiding geven door het openbaar ministerie gaat het Nederlandse model volgens de politiespecialist van de PvdA Stoffelen, sterk lijken op de Duitse Kripo. Zijn CDA-collega Van der Heijden zei gisteren dat hij bezwaren heeft tegen de voorgenomen veranderingen. “Dit is een van de kwesties waarover ik nog eens indringend met de ministers van gedachten wil wisselen”, zo zei Van der Heijden. Volgens de commissie kunnen de gelden efficiënter worden besteed als ze rechtstreeks van het departement van justitie komen.

De CDA-specialist heeft ook bezwaren tegen de aanbeveling van de commissie-Wierenga om in Amsterdam het oude IRT “in afwachting van het herstel van de verstoorde verhoudingen”, voort te zetten zonder deelname van de Amsterdamse politie. “Hoe stelt het kabinet zich dat voor? Dat team zal moeten werken in Amsterdam. Dat kan toch niet zonder dat het Amsterdamse politiekorps daarbij betrokken is?”

De commissie stelt verder voor de IRT's te laten werken onder het gezag van een hoofdofficier van justitie en een procureur-generaal, en onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister van justitie. Het beheer van de teams berust bij de korpsbeheerder van de politieregio waarin het team is gevestigd. Tot nu toe lag het beheer bij een commissie waarin vertegenwoordigers zaten uit de politiekorpsen en de gemeenten.

De politiekorpsen moeten verder een werkwijze ontwikkelen die waarborgt dat signalen over corrumptieve contacten tijdig worden onderkend en bestreden. Daartoe moeten de korpsen samenwerken met de rijksrecherche, zo schrijft de commissie-Wierenga. Naar aanleiding van het onderzoek van het IRT Noord-Holland/ Utrecht concludeerde de commissie dat de kans op lekken in het Amsterdamse politiekorps “onaanvaarbaar groot” is door een “aanwijsbaar gebrek aan discipline in het afschermen van essentiële informatie”. Daardoor neemt ook het “risico van corrumptieve contacten toe”.