Foutje, bedankt!

Graag had ik geschreven over het economendebat, maar helaas moest ik gistermiddag, toen heel ondernemend Nederland gezellig met elkaar zat te kwekken, gewoon werken. Wel begreep ik uit de ingekorte herhaling die 's avonds werd uitgezonden dat samenwerking de nieuwe boodschap is. Uiteindelijk positief nieuws, want samen de handen ineenslaan, nu eens ophouden met het eindeloze gehakketak, daar ben ik ontzettend vóór.

Heeft u trouwens de foto gezien van Hillary Clinton die de Hillary-Clinton-tulp in ontvangst neemt? De presidentsvrouw kreeg een roze tulp in handen van een kaasmeisje in Volendammer klederdracht. Onze blozende boerenmeid had een wit kapje op het blonde haar gestoken. Jammer, dat je op de foto net niet kon zien of ze ook nog een paar klompen droeg. Ik bedoel maar: zolang de innovatiedrift van een dynamisch bedrijfsleven aansluit op de traditionele waarde van de tulp en het blokje kaas, is de Nederlandse economie nog kerngezond.

Omdat ik het debat heb gemist, zullen we het helaas over iets anders moeten hebben. Twee maanden geleden nam Ed van Thijn afscheid van Amsterdam om minister te worden van binnenlandse zaken. Bij die gelegenheid schreef ik dat Van Thijn van zijn burgemeesterschap maar heel weinig terecht had gebracht. Daarop verscheen in deze krant een heel raar stuk van Geert Mak. Hij vond dat ik overdreef. Om de stelling te staven dat ik overdreef, somde hij nog een paar blunders op van Van Thijn, die ik niet eens had genoemd: het debâcle van het IJ-oeverproject en de armzalige infrastructuur van het WTC-terrein. Volgens Geert Mak is een burgemeester niets anders dan een knechtje van de raad. Het kan zijn, maar die dienstbaarheid heeft Van Thijn dan goed verborgen weten te houden.

Als een van de weinige positieve punten van Van Thijns burgemeesterschap noemde ik de reorganisatie van de politie. Weer mis. Het rapport-Wieringa is weinig opbeurende lectuur voor hoofdcommissaris Nordholt en hoofdofficier Vrakking. Het is weinig opbeurende lectuur voor Van Thijn zelf, die nauwelijks op de hoogte bleek van de competentiestrijd die zich onder zijn ogen afspeelde.

In elk normaal land worden mensen weggestuurd, die in hun publieke functie hebben gefaald. Van Thijn heeft het woord van de premier herhaald: “Er zijn fouten gemaakt, maar dat betekent nog niet dat iemand fout is”. Fouten maken is menselijk, uit fouten kun je leren, u kunt zelf nog wel een paar van dat soort platitudes bedenken. Op grond van deze overweging meent Van Thijn dat hij niemand hoeft te ontslaan.

Hieruit blijkt dat Van Thijn eigenlijk niet begrijpt wat het begrip democratie inhoudt en dat is vreemd voor iemand die zichzelf altijd heeft opgeworpen als de kampioen van de democratie. Wanneer iemand in een democratie uit een openbaar ambt wordt ontheven, dan staat daar geen doodstraf op. Zo iemand komt zelfs niet in de gevangenis. Integendeel, hij krijgt een keurig wachtgeld en als de democratie goed functioneert zal hem of haar op termijn een andere baan worden aangeboden, waarin hij het opnieuw mag proberen.

Zo gaat het in ieder beschaafd land en zo zou het ook in Nederland moeten gaan. Om een democratie te laten functioneren moeten er af en toe koppen rollen, met dien verstande dat het hier niet om echte maar om symbolische koppen gaat. Gebeurt dat niet, dan ontstaat er achter de neergelaten rolluiken een totale bestuurlijke verloedering. Voor zo'n situatie heeft Van Thijn ooit eens een idioot woord bedacht: verkokering.

Waarom wil Van Thijn dan toch iedereen laten zitten waar hij zit? Het antwoord op die vraag is simpel. Van Thijn zelf zit in een onmogelijk parket. Wanneer hij de verantwoordelijken voor de IRT-catastrofe moet ontslaan, dan zal hij ook zichzelf moeten ontslaan. Niet éénmaal, maar tweemaal. Eerst postuum als burgemeester van Amsterdam en vervolgens nog een keer als minister van binnenlandse zaken. Twee petten, twee koppen, twee koppen die kunnen rollen.

Tot zes keer toe omschreef Van Thijn zichzelf gisteravond als minister van binnenlandse zaken ad interim. Ad interim betekent: mag ik weg, mag ik naar huis? Dat mag en dat kan, want in een democratie bestaat er immers zoiets keurigs als wachtgeld.