'Er horen anderen dan wij hier terecht te staan'

ROTTERDAM, 25 MAART. De vier verdachten van handel met voorkennis in het failliet gegane automatiseringsbedrijf HCS hebben gisteravond ongekend krachtig en emotioneel uitgehaald naar onder meer de Officier van Justitie en naar partijen als de toemalige Amro Bank die wel bij de ondergang van HCS betrokken waren, maar niet in het verdachtenbankje zitten.

“Er horen anderen dan wij hier terecht te staan”, eindigde Eric Albada Jelgersma, topman en eigenaar van het detailhandelsconcern Unigro zijn laatste woord op de derde dag van het proces. Albada Jelgersma staat samen met president-directeur Joep van den Nieuwenhuyzen van het beursfonds Begemann (industrieel conglomeraat) en de investeerder León Melchior terecht wegens handel met voorkennis in HCS op 31 juli 1991.

De drie beleggers (samen goed voor 40 procent van de aandelen HCS) hadden de avond daarvoor met de Amro overeenstemming bereikt over een omvangrijke reddingsactie voor het automatiseringsbedrijf. De volgende dag gaf Van den Nieuwenhuyzen zijn effectenhuis Suez Kooijman, de vierde verdachte, opdracht aandelen HCS te verkopen in een poging de koers omlaag te krijgen. Aan het eind van de dag waren in opdracht van Van den Nieuwenhuyzen 4,15 miljoen aandelen HCS verkocht (driekwart van de dagomzet) en was de koers met een derde gedaald naar 2,60 gulden.

Van den Nieuwenhuyzen zelf haalde in zijn slotwoord uit naar Officier van Justitie Van Nierop (“overtuigend bewezen dat hij van economie geen verstand heeft”) en het hoofd van het Controlebureau van de effectenbeurs Te Beest (“zo groen als gras”). Directeur J. Gerritse van Suez Kooijman vroeg zich af waarom er niet eenzelfde onderzoek is gehouden naar andere beursleden, met name de banken die bij de redding betrokken waren (Amro en Credit Lyonnais; red.) en tevens zogenaamde baisse-posities hadden. Bij een baisse-positie verkoopt iemand aandelen zonder de stukken te bezitten in de verwachting dat de koers zal dalen, zodat hij de effecten dan goedkoop kan inslaan.

Albada Jelgersma, de zwaarst getroffen HCS-belegger, kraakte in zijn slotverklaring “het rattenest” HCS, waar de directie grof mismanagement had gepleegd en de commissarissen zwak waren. Hij overweegt de vroegere registeraccountant (KPMG) van HCS aansprakelijk te stellen wegens een “valselijk gecertificeerde jaarrekening”van 1989. De banken (Amro en Credit Lyonnais Nederland) beschuldigde hij van “gekonkel en gescharrel” met de “heer Kuijten”, die HCS eerst zelf zou redden maar te elfder ure afhaakte.

De ruime beschuldigingen van Albada Jelgersma staken schril af bij de precisie waarmee zijn raadsman mr. D. Doorenbos het fileermesje hanteerde om de dagvaarding te ontleden en naar de prullebak te verwijzen. Hij concludeerde dat bij de gewraakte aandelenverkoop geen sprake geweest kan zijn van voorwetenschap, omdat Van den Nieuwenhuyzen geen flauw benul had welke kant de koers op zou gaan. Wie voorkennis heeft, weet wat de koers gaat doen, zo betoogde Doorenbos en daarvan trekt hij zonder enig risico profijt. Van den Nieuwenhuyzen wist dat nu net niet, en besloot daarom het zekere voor het onzekere te nemen om met grootscheepse verkopen de koers naar het door hem gewenste niveau te drukken. Volgens Doorenbos is geen sprake van handel met voorwetenschap, maar is het koersorkestratie dat niet strafbaar is.

Doorenbos - auteur van een recent proefschrift getiteld Financieel Strafrecht - trok niet alleen zijn register met economische argumenten open, maar lanceerde ook een interessant juridisch probleem voor het Openbaar Ministerie. Hij legde aan de hand van het beursreglement uit dat er op 31 juli helemaal geen transacties kunnen zijn geweest in HCS. Het beursbestuur heeft de koersen van die dag doorgehaald omdat het onregelmatigheden vermoedde. En zonder koersen zijn er volgens de beursregels geen transacties geweest. Er zou dus hoogstens sprake zijn van een poging tot handel met voorwetenschap, maar dat had de officier verzuimd ten laste te leggen.

Uitspraak op 7 april.