Een stijl zou me dodelijk vervelen; Een vuilnisbak vol beeldende kunst

Beeldende kunst is voor Hugo Claus een hobby. Maar dat wil niet zeggen dat zijn tekeningen en schilderijen hem onverschillig laten. “Een tekening is een voorwerp, een kindje, het is vlakbij me. Ik laat mijn mongooltjes niet drie keer per jaar op stap gaan”, zegt hij over zijn terughoudende opstelling tegenover tentoonstellingen van zijn werk.

De schilder Hugo Claus duldt in zijn atelier geen pottekijkers. Achter een ijzeren deur moeten de twee kamers liggen waar hij zijn 'stoeierijen' maakt. De vraag om er een kijkje te nemen, verbaast hem. “Beschrijft u het maar als iets tussen het atelier van Francis Bacon en een kippenhok,” zegt hij luid, duidelijk en lacherig. Bij Bacon moest alles in de nabijheid van zijn schildersezel - wanden, vloeren, stoelen en tafels - aan klodders en kleur geloven.

Claus werkt zonder een professionele ezel. Hij zit aan tafel of hurkt op de grond. Aan olieverf waagt hij zich niet, aan vele andere technieken wel: van gouaches en aquarellen tot frottages en fotocollages, en aan mengsels van die genres. Hij vindt het aangenamer dan schrijven. Vroeger kwam er tandpasta, lippenstift, schoensmeer en kaarsroet aan te pas; om het ongewone en het vergankelijke. Een eigen stijl is hem vreemd. Hij kent naar eigen zeggen honderdtachtigduizend stijlen. Een echte schilder deelt zijn vlak in, vindt hij. Claus niet, Claus mag alles van Claus, als het maar geen herhaling is.

We zitten in zijn Antwerpse woonkamer, de voorjaarszon valt met een louche schittering naar binnen. “U gaat toch geen vragen stellen over het begrip ruimte of zo? Men baggert daar maar over door, terwijl een ieder ruimte als iets volstrekt anders ervaart. Zo'n conversatie is de lof der zotheid, altijd goed voor drie minuten lol op ontvangsten met museumdirecteuren. Er is trouwens geen enkel terrein waar zoveel onzin over wordt geschreven als over beeldende kunst. Ik word daar wel vrolijk van.”

Al meer dan vier decennia lang maakt Claus series schilderingen en tekeningen, “van het lekker breeduit expressionistisch smeren van verf tot het knoeien met druipende zuren uit de allereerste fotokopieerapparaten.” Soms ontstaan kleine, anekdotische karikaturen, vaker liggen er ruige naakten met flinke rondingen op het vlak, en af en toe calligrafische inkt-uitspattingen, waarin niets anders dan de zindering van het ogenblikkelijke valt te herkennen. Baldadig, ingetogen, grappig, naäperig en poëtisch? Abstract of figuratief? Het zal hem een zorg zijn.

“Ik schilder nog elke dag, als ik moe ben geworden van het schrijven. Eigenlijk ben ik ontzettend lui, het allerliefste lig ik. Pas als ik wat moet doen, ga ik zitten. En als ik een hele tijd heb gezeten, moet ik iets bewegen. Nee, het schilderen komt niet voort uit een gevoel van landerigheid. Dat is een scherp Nederlands gevoel dat ook uit De Avonden van Gerard Reve spreekt; calvinisme, geremdheid, god en de eeuwigheid. Nee, dat ken ik niet.”

Op een deel van zijn oeuvre, 450 bladen, dat in 1988 onder de titel Beelden verscheen, grijnzen wanstaltige smoelen van onherkenbare maar onwelvallige lieden. Misschien zijn het rechters, met wie Claus niet het beste voorheeft, of politici voor wie hetzelfde geldt. Geen enkel blad is getiteld of gedateerd. De beeldend kunstenaar, de 'prentenmaker' zoals hij zichzelf noemt, is blijkbaar wars van pretenties, én van kunsthistorici die hij graag een handvat voor hun retrospectieve beschouwingen onthoudt.

Vele duizenden bladen zijn de afgelopen veertig jaren in de vuilnisbak beland. Dat wat overbleef is veel, maar een fractie. Het oeuvre - “twaalf van die boeken als Beelden zouden enigszins een overzicht geven” - biedt de toeschouwer geen enkel houvast. Claus als illustrator, als karikaturist, als grafisch vormgever, als Cobra-schilder, als romanticus, als impressionist, als imitator. “Ik heb de 'attention span' van een jongetje van twaalf jaar. Het kiezen voor een stijl of een formaat zou me dodelijk vervelen.”

Hobby

De noodzaak tot schrijven of schilderen neemt nooit acute vormen aan. Beide bezigheden ontstaan uit een luchtig voornemen, dat Claus zichzelf vervolgens als wet voorschrijft. Tussen beide is geen binding. Hij associeert veel eerder in beelden dan in woorden, zoals hij ook 'scenisch' schrijft. Tijdens het nasynchroniseren van de film Het Sacrament, bij het projecteren van de opnamen, heeft hij in het halfduister zo'n honderd tekeningen zitten maken van 'krioelende wezentjes'. Dat beviel hem wel. Het was het enige verband tussen beeldende kunst en zijn andere werk.

“Mijn beeldend werk is een hobby. Zoals andere mensen verzamelen, zo ervaar ik het schilderen. Niet serieuzer dan dat. Ik pruts maar wat en met heel veel goede wil kan ik daar een thema in ontdekken. Vandaar dat ik zelden tentoonstel, want allerlei lieden trekken tot mijn ergernis conclusies uit mijn werk die me niet bevallen. Ik ben daarin veel kwetsbaarder dan in de schrijverij. Stel dat hier iets van mij aan de wand zou hangen, dan zou ik het onverdragelijk vinden als u daar commentaar op gaf. Ik heb er een fysische band mee. Een tekening is een voorwerp, een kindje, het is vlakbij me. Ik laat mijn mongooltjes niet drie keer per jaar op stap gaan.

“Bovendien doe ik mijn schilderijen geen recht als ik maar een hele kleine selectie kan laten zien. Zo'n serie moet ook nog een zekere eenheid vertonen, want dat willen de galeriehouders. Maar als Jan Hoet, een aandachtige beschouwer van wat ik doe, alle zalen van het museum van Gent aanbiedt, dan weiger ik dat ook. Ik ben een echte man, in die zin dat ik heel laf ben.”

Ter gelegenheid van Claus' vijfenzestigste verjaardag heeft Hoet hem nog een ander voorstel gedaan. In twee Gentse museumzalen zou hij desnoods maar een enkele, complete serie hoeven te exposeren. Claus weigerde opnieuw. “Achter mijn rug hadden anderen mensen ook iets bedacht in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Gelukkig heb ik dat op het laatste moment kunnen verhinderen. Ik haat verrassingen. Ik maak verrassingen.”

Of Jan Hoet dat eigen museum in het Casino van Gent moet krijgen? “Natuurlijk, hij moet alles krijgen. Hij zal wel geen goede bestuurder zijn, maar wie kan dat schelen. Er waren eeuwen voor Christus in het Chinese rijk hele goede bestuurders. Daar hebben we nooit meer iets van gehoord.”

In het grootschalig vernietigen van zijn bladen herkent Claus niets anders dan 'een kleine afwijking'. Van proza of poëzie doet hij minder snel afstand, want “die flarden worden nog met een kruideniersgretigheid gebruikt. Ik maak nu 1.300 gedichten klaar voor publikatie onder het mom van verzamelde gedichten. Toch komen er vijfhonderd niet in. Wat je laat zien blijft de neerslag van een reeks vernietigingen. Indien mijn werk een vuilnisbak is, waarin je van alles kunt vinden, dan is het dus een zeer zorgvuldig geselectioneerde vuilnisbak.

“Beeldende kunst vernietig ik nonchalanter, en met meer zwier. Want het enige criterium is 'gaan mijn nekharen ervan overeind staan of niet?'. Naarmate ik ouder wordt, dringt de vernietigingsdrang zich sterker aan. Met het eeuwigheidssyndroom in het achterhoofd wens ik alleen de parels over te houden. Alle droesem en moerassen waaruit die parels zijn voortgekomen, moeten keurig worden weggehaald voordat mijn erven ze verzilveren.”

Die moerassen bestaan uit bladen die bijvoorbeeld op een Giotto of een Bacon lijken, zegt hij niet zonder zelfspot. Ook te mooie composities worden direct bij het oud vuil gezet. Niets mag beantwoorden aan de wetten van de harmonie. “Vergelijk het met een elegante dame, die zich kleedt om naar een opera of gala te gaan. Vlak voordat ze de deur uitgaat, kijkt ze nog even naar zichzelf in de spiegel. Ze ziet die perfecte harmonie - en op dat moment besluit ze iets weg te nemen of toe te voegen. Ze kleedt zich gedeeltelijk uit of trekt er een parka overheen aan. De elegantie van Armani of Versace is niet interessant, die is niet eigen.”

Verliefd spul

Het publiek voor wie Claus schrijft staat hem net zo diffuus voor ogen als de toeschouwers van zijn beeldend werk. “De afrekeningen van de uitgeverijen bewijzen dat mijn boeken worden gekocht, en volgens de wet der waarschijnlijkheid heeft een aantal mensen mij ook gelezen. Maar ik merk daar niets van. Ik krijg alleen brieven van krankzinnigen, godsdienstwaanzinnigen en verliefd spul. Verder zijn er wat collega's die me complimenteren met de omslag van een boek. Het gebeurt zelden dat ik een weerklank krijg die me verrast en amuseert. En de recensies kan ik meestal beter zelf schrijven, want ik weet precies wie wat over welk boek gaat beweren.

“Maar bij een confrontatie met mijn schilderijen of tekeningen heb ik wèl met een publiek te maken. Als ik mensen in een galerie, bij Espace in Amsterdam bijvoorbeeld, zie kijken naar mijn werk, wil ik meteen wegrennen. Dat kan niet op zo'n moment, en die verlegenheid compenseer ik dan maar door te brallen. Niemand heeft dat gevoel beter beschreven dan de schilder Bram van Velde: 'Il y a toujours quelque part la honte'. En dan spreekt hij dat 'la honte' op z'n Hollands uit. Die klank: De hond en de schaamte, daar zit alles in.”

Krullen

Claus hoorde in de jaren vijftig tot de Cobra-groep met onder anderen Appel, Constant en Corneille. Zijn aandeel was, naar zijn zeggen, vooral vriendschap. Voor de Deen Asger Jorn had hij het meeste ontzag. Hij exposeerde sporadisch met hen, dichtte en schreef over hen, werkte samen in 'peinture-mots' en wijdde later aan die periode een weinig vleiende sleutelroman, Een zachte vernieling. Hij zou zich van de schilders snel distantiëren, om zijn vermeende beperkte talent. Maar het schilderen was er eerder dan Cobra, en laten we niet denken dat zijn bijna levenslange vriend, de Belgische schilder Roger Raveel, hem destijds tot schilderen aanzette. Aan de wand hangt Raveels portret van Claus, wiens zorgeloze gezicht toen nog rijkelijk was omkranst door krullen.

De bladen die slaafs beantwoorden aan een Cobra-idee, vindt hij nu zijn minste geslaagde 'souvenirs'. “Cobra is daarin te herleiden tot een reeks maniertjes, gebaseerd op een quasi-primitiviteit. De kinderen, de dementen, de zondagsschilders moeten dienen als vertrekpunt, maar niet een leven lang karikaturaal worden uitgebuit. Een ovaal met twee zwarte streepjes als ogen, vind ik te clichématig. Dat heb ik vroeger te vaak gedaan.”

Wat vindt Claus van het Cobra Museum, straks in Amstelveen? “Bestaat er een museum voor Van Doesburg, Mondriaan, Van der Leck? Nee? Dan zou ik dat eerder willen zien.”

Enkele beeldende kunstenaars heeft Claus inmiddels 'heilig verklaard'. Hij wenst met hen niet in een en dezelfde zin genoemd te worden. De Italiaanse stilleven-schilder Giorgio Morandi, de Amerikaanse textielontwerper Joseph Cornell, maker van poëtische collage-kastjes, en de Amerikaanse Brit Kitaj die tenminste “aandacht heeft voor 'de evolutie' ”. Kitaj maakt voor zijn technisch knappe, fragmentarisch opgebouwde doeken eerst schetsen, daarna gouaches, vervolgens olieverfschetsen en dan pas komt het linnen aan de beurt. Diens geduld en nauwgezetheid zijn de 'prentenmaker' vreemd.

“Ik kies niet voor het kameleontische, ik ben zo! Niemand gaat toch bewust stijlloos door de wereld? Kunstenaars als Morandi en Cornell, die een stilistische continuïteit kennen, hebben nog iets anders gemeen. Ze woonden meestal samen met een zuster, een tante of een debiele broer, en die verpleegsterskant werkte de monotonie in de hand. Met hen vergeleken ben ik een zeer frivool dansertje. Mijn eigenschappen zijn andere: slordigheid, luiheid, verkapte hoogmoed en ontrouw. In mij, mevrouw, heeft u er een op wie u niet kunt bouwen. Ik vertoon vluchtgedrag, angst voor bindingen. De realiteit is de terreur tegenover het niets. Die wil ik ontvluchten door me in primaire spelletjes te vergalopperen.”

Zijn die voorkeuren voor Morandi en Cornell er altijd geweest? “Vroeger vond ik Delacroix spontaan en waaghalzerig. Ik haalde het niet in mijn hoofd om van die lam gelikte, kille schilderijen van Ingres te houden. Een tekening van hem kon ik wel waarderen, want als je jong bent kan de wijn niet droog genoeg zijn. Nu drink ik een volle Elzasser, en ik vind een echt schilderij van Ingres veel mooier dan een aanzet. Nu pas zie ik ook dat Ingres tientallen keren sensueler is. Niet Delacroix, maar Ingres was een ongekende waaghals. Om een compositie te redden durfde hij lichamen tien keer meer te vervormen dan Francis Bacon. Hij gaf de ruggegraat van een liggend naakt twee wervels extra als hij vond dat zij langer moest zijn. Geef me 280 Delacroixs en hij komt nog niet in de buurt van Ingres! De meeste schilderkunst, Magritte vooral, doet het beter op een ansichtkaart, maar Ingres niet. Het is een schok om hem in het echt te zien. Hij is eerder maniakaal erotisch dan wellustig. En dat laatste ga je pas onderscheiden als je op leeftijd bent. Dan krijg je trouwens ook het gevoel van déjà-vu, van déjà-dit, van déjà répété.”

Tenslotte: Hoe wil de schrijver, de schilder later gekend worden? “Ik hoop dat mijn kinderen als ze oud zijn zich niet al te zeer voor mij hoeven te schamen. Nu al zie ik in gedachten mijn twee zonen als oude mannen in de tuin zitten. Hun kinderen vragen 'wat was uw vader voor iemand?'. En dan antwoorden ze: 'Hij tekende wat, geloof ik'. 'Maar was het dan de moeite waard?' vragen mijn kleinkinderen. En dan hoop ik dat mijn zonen antwoorden: 'Het was minder slecht dan men tegenwoordig denkt'.”

    • Marianne Vermeijden