Een indringend verslag van de wedstrijd

DEN HAAG, 25 MAART. “Een spannend jongensboek”, zo omschreef minister Van Thijn van binnenlandse zaken gisteren het rapport-Wierenga over de ontbinding van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht. De ruim achthonderd pagina's van het rapport, waarin opgenomen de letterlijke tekst van 53 getuigenverhoren, geven een weergave van de opeenstapeling van ruzietjes, competentiegeschillen en misverstanden tussen politiekorpsen, openbaar ministerie en de leiding van het IRT.

In zijn verklaring voor de commissie maakt de Amsterdamse hoofdofficier van justitie J.M. Vrakking onomwonden duidelijk waarom hij op 7 december vorig jaar het team ontbond: “Dit hoogst geheimzinnige gedoe - een soort CIA - werkt niet. Het was een staat in de staat. Het was net een geheime dienst.”

Eigenlijk was bij de oprichting van het IRT al duidelijk hoe de verhoudingen lagen tussen Amsterdam en de rest van de regio Noord-Holland/ Utrecht. Het begon al bij de werving van het personeel voor het team, zo herinnert zich de Haarlemse burgemeester, mevrouw E. Schmitz, tevens voorzitter van de IRT-beheerscommissie. Er ontstond irritatie over de Amsterdamse houding. “Er heerste geen coöperatieve sfeer, zo er niet sprake was van tegenwerking.”

De werving van het IRT-personeel kwam op gang na de instelling van het team in januari 1989. Bij de werving moest het aankomende personeel worden 'gescreend', vond de IRT-beheerscommissie, en onderworpen aan een veiligheidsonderzoek door de rijksrecherche. Een rechercheteam dat zich ging specialiseren in zware georganiseerde misdaad moest een geheim kunnen bewaren. Maar de Amsterdamse politie stond “hooguit een marginale toetsing” toe.

Het IRT houdt in de jaren na de oprichting problemen met het buitenbeentje Amsterdam. Het korps wil op zichzelf wel een sterk, apart rechercheteam tegen de georganiseerde misdaad dat zich vooral in de eigen stad concentreert. Maar Amsterdam heeft moeite met het samenspel met Alkmaar, Haarlem en Utrecht. Als snelle, in het oog springende successen op zich laat wachten, wordt de leiding van het Amsterdamse korps ongeduldig. De voorzitter van de dienstcommissie, B. Driessen, zet in Het Parool op 19 februari 1991 de positie van IRT af tegen de magere resultaten die tot dan zijn geboekt. “Ik heb nog geen zaak gezien bij het openbaar ministerie. De klacht hier in het korps is dat niemand weet waarmee het IRT bezig is.” Driessen vindt daarom dat het Amsterdamse korps de aan het IRT afgestane rechercheurs beter zélf kon gebruiken. Tegenover de commissie-Wierenga zei Driessen dat hij aan de kaak had willen stellen dat er te veel geld naar het IRT ging en te weinig naar het Amsterdamse korps, waar “zwaar bezuinigd werd”.

De Utrechtse hoofdcommissaris J. Wiarda eiste in een telefoongesprek dat zijn collega Nordholt afstand zou nemen van de uitspraken van Driessen. “Dat heb ik niet gedaan”, zegt Nordholt. Hij was het namelijk inhoudelijk “voor een belangrijk deel met Driessen eens”. Ook hij zag een “soort wonderlijke verzelfstandiging” ontstaan van het IRT, buiten de regionale korpsen om. De commissie-Wierenga concludeert dat Nordholt met zijn houding “onrust veroorzaakte” binnen het IRT. Burgemeester Van Thijn werd kwaad toen er “ruis” ontstond tussen de korpsleidingen van Amsterdam en Utrecht. “Ik heb gezegd dat men daarmee moest ophouden”, zegt Van Thijn. “Om te beginnen moet men, als men zo'n team opstart, dit niet al na een halfjaar willen afrekenen op resultaten.”

Dat Nordholts wantrouwen over het net op gang gekomen IRT menens was, werd kort daarna duidelijk toen hij zijn handtekening plaatste onder een notitie over de bestrijding van de zware georganiseerde misdaad in de Randstad. Dat was een gezamenlijk initiatief van Nordholt en zijn collega's Hessing (Rotterdam) en Brand (Den Haag) en het hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), Wilzing. Het onderwerp was de oprichting van een Randstad-rechercheteam; het IRT en Nordholts Utrechtse IRT-partner Wiarda kwamen in het stuk niet voor.

Wiarda ziet nu in dat de strijd tussen Amsterdam en het IRT al vanaf de eerste dagen woedde. De geslotenheid van het IRT was volgens Wiarda juist “in de Amsterdamse context” nodig voor een effectieve aanpak van de georganiseerde misdaad. Hij zag een potentieel gevaar van lekken in de gevoelige operaties waarmee het IRT werd geconfronteerd. Hoe lastig het ook is om je te conformeren aan de regels, de druk om het IRT anders te organiseren dan het eigen korps, was volgens Wiarda voor Amsterdam niet prettig. “Dat werd natuurlijk tegelijkertijd ook opgevat als een pedante, bevoogdende opstelling tegenover Amsterdam. Maar ach, het Muiderslot staat er ook niet voor niets. Die Vecht moest toch afgesloten blijven; dat hadden de Amsterdammers in handen.” Achteraf concludeert Wiarda dat het sterke Utrechtse stempel op de IRT-leiding - de Utrechtse commissaris B. van Baarle was algemeen teamleider - de wrijving tussen het team en Amsterdam heeft aangewakkerd.

Nordholt had ernstige twijfels over de manier waarop het IRT werd beheerd. Dat gebeurde door een commissie onder leiding van burgemeester Schmitz van Haarlem. “Naar mijn mening heeft een commissie geen gezag”, zegt Nordholt. Eén burgemeester heeft dat wel. Dat had wat hem betreft Utrecht mogen zijn, of Haarlem of Amsterdam.

De IRT-leiding was niet de enige die problemen had met 'Amsterdam'. Ook de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking noemt Amsterdam een “lastig korps”. Het korps zag vanaf het begin weinig in de zelfstandige manier van werken van het IRT. De uitbarsting kwam in december 1992 toen met het IRT 30.000 kilo hasjish in beslag nam. Vlak daarna bleek er een mogelijk verband te bestaan tussen deze zaak en een onderzoek van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD). Het IRT, in de persoon van de Utrechtse commissaris Lith, zou volgens het Amsterdamse parket bewust informatie hebben achtergehouden voor de FIOD om het succes van de IRT-slag voor zichzelf te houden. Hoofdofficier Vrakking eiste een onderzoek, maar Lith trof geen blaam, zo bleek later. Procureur-generaal Van Randwijck vond dat Vrakking “te overhaast” het vertrouwen in Lith had opgezegd. Lith viel weliswaar niets te verwijten, maar Van Randwijck noch Vrakking wenste de Utrechter te rehabiliteren. Integendeel: zij verzochten hoofdcommissaris Wiarda om Lith terug te trekken uit het IRT. Die zag daar, zeker gezien de positieve uitslag van het onderzoek, geen reden toe.

Het voortbestaan van het IRT was door de Amsterdamse politie toen al ter discussie gesteld. Het hoofd justitiële bedrijfsvoering Van Riessen schreef in januari 1993 een brief aan Vrakking waarin hij zegt dat de zelfstandige positie van het IRT “zo langzamerhand zoveel toestanden geeft dat de neiging groot is het IRT op te blazen”.

Procureur-generaal Van Randwijck bevestigt dat “Amsterdam heeft nooit echt blijk gegeven veel met het IRT op te hebben”. Toch wilde het Amsterdamse korps de leiding over het team naar zich toetrekken, zoals gebeurde in het voorjaar van 1993. Nordholt beloofde de andere korpschefs van het ressort dat het IRT geen puur Amsterdams rechercheteam zou worden. Totdat er een mededeling kwam van de Amsterdamse commissaris Welten “dat het IRT met ingang van juni onderdeel zou zijn van de Amsterdamse recherche”.

Dat leidde volgens Van Randwijck “tot buitengewoon veel commotie bij het IRT èn bij het openbaar ministerie”. “Ja, natuurlijk voelde het OM zich gepasseerd, want ook wij wilden een team dat los stond van het Amsterdamse korps, dat beschikbaar was voor het hele ressort. Er ontstond het gevoel dat het Amsterdamse korps wilde uitbreiden door de mensen over te nemen”. Of Nordholt achter zijn mensen stond weet Van Randwijck niet. Hij had zich volgens de procureur-generaal “krachtig” moeten bemoeien met het IRT toen de commotie was ontstaan. Die hield zich echter stil; dat was een belangrijkste kritiek van de commissie-Wierenga op Nordholts optreden in de IRT-affaire. Hij had “veel onheil kunnen voorkomen”. Van Randwijck: “Het is ontzettend moeilijk om van het Amsterdamse korps hoogte te krijgen. Er is niet altijd een verband tussen wat Nordholt zegt en wat hij doet.”

    • Rob Schoof