Een groot boek

Vijftien december 1992, een grauwe dag in de lage landen met af en toe een waterig zonnetje. We reden naar Antwerpen, Tom Rooduijn en ik, om voor ons historisch radioproject 'De grondleggers' een vraaggesprek met Hugo Claus te maken.

Allemaal moesten ze eraan geloven: de Vijftigers, de kleine en de grote zelfstandigen, de kritische begeleiders en degenen die toevallig ongeveer even oud waren en ook aan de literatuur hadden deelgenomen. 'Grondleggers' hadden we deze unieke reeks gesprekken gedoopt omdat de sprekers na de oorlog de nieuwe literatuur hadden gemaakt, of in ieder geval er een wending aan hadden gegeven die door niemand was voorspeld: een antitraditionele sprong ten beste hadden gegeven. Tot dan toe waren we daarvoor op Nederlands grondgebied gebleven, van Texel tot in de buurt van Utrecht, en nu gingen we voor het eerst de grens over.

Antwerpen is anders. Als ik er met de trein doorheen kom kijk ik begerig naar de huizen met art deco ornamenten en de afgedankte fabrieken die tot loft zijn omgebouwd. Hoe komt het toch dat we die in Nederland niet hebben? Hugo Claus woonde nu in zo'n omgebouwde fabriek. Ik ben een bewonderaar van zijn werk en dus maakte zijn huisvesting me nieuwsgierig.

Om ons nog eens extra op het gesprek voor te bereiden zochten we in de buurt van de Antwerpse loft een café op, bestelden koffie met een tompoes en namen de vragen door. Zo zeker als interviewers van hun vragen kunnen zijn, belden we aan bij Hugo Claus. Ik heb gehoord dat hij sindsdien weer is verhuisd, dat was hij toen in ieder geval al van plan. Een stalen deur ging elektrisch open, gaf toegang tot een fabriekshalletje aan het eind waarvan de lift was. Die bleek berekend te zijn op het transport van zwaar materiaal, een kaal hok, verweerd in zijn doelmatigheid en ruikend naar elektroden. De buurt, de deuren en de lift hadden een lichte allure van de industriële revolutie. Met zacht gezoem werden we naar de loft getild.

Achter de deur van ieder vreemd huis wacht een openbaring, maar ook openbaringen heb je in soorten. Deze hoorde tot de grote soort. Daar stond de gastheer, op de grens van een betegelde onmetelijkheid, en hij lachte vriendelijk, niet anders dan een kluizenaar dat zou doen nadat hij het geitenvel van zijn hutje op de hei opzij had geschoven. 'Kom binnen.' Ostentatief paf staan van een interieur vind ik een belediging voor de eigenaar, want de gasten bij voorbaat in de houdgreep van zijn goede smaak en rijkdom te nemen: dat kan hij niet willen. We bedwongen dus onze bewondering, kregen koffie en kwamen snel terzake. Het gesprek werd gevoerd in de werkkamer die van een kloosterachtige soberheid was, de soberheid van een niet armlastige orde, en het verliep zoals we het ons hadden gedroomd: ontspannen en onthullend, van het één op het ander en toch nauwkeurig.

Terwijl Hugo Claus over zijn leven en werk vertelde, kon ik het niet laten mijn ogen langs de boekenrij te laten dwalen en zo ontdekte ik een boek van een formaat dat zelden voorkomt. Als geoefend waarnemer was hem mijn seconde van onbewaakte begeerte opgevallen maar daarvan had hij niets laten merken. Het vraaggesprek liep ten einde, er werd nog wat ongeregisseerd nagepraat en Hugo Claus haalde dit zeer grote boek uit de kast. Het bleek een schitterende keuze uit zijn gedichten en afbeeldingen van schilderijen en beeldhouwwerk te bevatten, met essayistische bijdragen van Jan Walravens, Philippe d'Arschot, Gaëtan Picon en Freddy de Vree, en ook een gesprek van laatstgenoemde met de kunstenaar.

Terwijl Hugo Claus en Tom Rooduijn verder van gedachten wisselden, bekeek ik het boek en las hier en daar iets. Hij werkt, zegt hij tegen Freddy de Vree alsof hij een trein moet halen. Zo hoort het en zo is het hier ook. Waar deed het me aan denken? Aan andere dikke selecties, Je suis le cahier van Picasso en sommige verzamelingen van Saul Steinberg: ook zulke markten, aangericht door mensen wier talent voortdurend een wedloop houdt met hun energie. Mijn begeerte naar de 450 afbeeldingen werd nog groter, maar ik moest weer eens met het gesprek meedoen.

'Mooi!' zei ik, terwijl ik het boek sloot.

'Neem het mee,' zei Hugo Claus. 'Ik geef het je.'

'Maar je hebt geen ander exemplaar, dit is je laatste.'

'Hindert niet. Je hebt het al gekregen.'

Dit is zo'n gebeurtenis die onverwacht de zon in je bestaan doet doorbreken. Het kwam ook door het antwoord aan Freddy de Vree: 'werken alsof je een trein moet halen.' Zo hoort het.

Terug in de auto op weg naar Amsterdam, onze loftloze hoofdstad, merkte ik dat mijn compagnon dat boek ook wel had willen hebben. Ik heb erin geschreven dat ik het aan hem vermaak.

    • H.J.A. Hofland