De staatsiekast van mijn knoken; De ware gelegenheidsdichter en de ware experimenteel

Uit de gedichten van Hugo Claus rijst een orkest van stemmen, registers en idiomen op, waardoor het zelfs de bewonderaar wel eens begint te duizelen. Claus is een grillig en duister dichter, die bovendien met het grootste gemak lijkt te rijmen. Volgende maand verschijnen meer dan 1200 bladzijden 'Gedichten, 1948-1993'.

Hugo Claus: Gedichten, 1948-1993. Uitg. De Bezige Bij. 1276 blz. Prijs: ƒ 95,-; verschijnt 20 april.

Denk ik aan Hugo Claus, dan zie ik bijvoorbeeld volle zalen aandachtig luisteren naar een dichter die melodieus en met mooie stem zijn gedichten voordraagt. Of ik zie de Vlaamse bestsellerslijsten waarop vorig jaar wekenlang de bundel De Sporen prijkte. In populariteit is Claus wel te vergelijken met Jean Pierre Rawie, en net als Rawie voldoet hij aan het signalement van een dichter. Rawie is de tobber, de gekwelde die 's nachts met een kaars voor zijn raam eeuwenoude waarheden opdiept. Claus is meer het type van de nar die altijd wel op komt draven en voor een gelegenheidsgedicht meer of minder zijn hand niet omdraait. Hij is de troubadour die de dingen zo mooi kan zeggen, die ons aan het lachen maakt en af en toe ook, als de muziek even stilgevallen is, een diepzinnig woord tot ons richt. Om daarna weer vol overgave de liefde te bezingen. Bijvoorbeeld zo, in de bundel Dag, jij (1971):

Jij, mijn slagschaduw op de grond

mijn nachtmerrie in de zon

jij, dit moment van de derde regel

die uitmondt in een vrouw van lucht

met een kut van licht.

Dit is wat je noemt een toegankelijk gedicht. Het gaat over geilheid en het noemt de dingen bij hun alledaagse naam, maar tegelijk weet Claus de geile kern ook mooi dichterlijk te omspelen, met die merrie, die nacht-merrie in de zon, de slagschaduw en dat licht erbij. Treffend is de derde regel. Waar een dichter als Rawie altijd terugblikt en het verstrijken van de tijd gelaten ondergaat, daar wil Claus altijd in het nu, op dit moment, dichten.

Het is heel goed mogelijk de poëzie van Claus tot de licht verteerbare gebruikslyriek te rekenen, geschikt voor een groot publiek. Maar even goed zit er een duistere kant aan zijn werk en vormt het zware kost voor bijvoorbeeld intertekstualiteitszoekers. Claus is, met één oog bekeken, een van onze bekendste dichters, maar tegelijk is hij, door het andere oog bezien, een dichter die niet werkelijk een eigen plek heeft.

“Claus' naamsbekendheid als dichter is dan ook beslist veel groter dan de feitelijke belangstelling van het lezerspubliek voor zijn poëzie,” schreef Dirk de Geest vorig jaar in een essay. Claus is eerder een dichter van horen zeggen (een van zijn bundels heet Van horen zeggen) dan van aandachtig lezen. Maar zelfs onder de aandachtige lezers is er weinig consensus. Daarvoor heeft hij om te beginnen eenvoudigweg te veel geschreven en daarbinnen te veel verschillende gedaanten aangenomen. En bovendien is hij grillig, onvoorspelbaar, duister en slordig en wekt hij bij dat alles de indruk ook nog eens met achteloos gemak te rijmen. Er rijst uit zijn werk een orkest van stemmen, registers en idiomen op, waardoor het zelfs de bewonderaar wel eens begint te duizelen.

“Maar toch: wat doe je als lezer met deze poëzie?” riep Hugo Brems vorig jaar vertwijfeld uit, aan het eind van een lange, lovende recensie van De Sporen. Zijn wanhoop valt wel te begrijpen. Het probleem met het werk van Claus is, dat er geen kern of centrum in aan te wijzen valt. Het waaiert, op allerlei manieren, uit. De dichter zal daar niet mee zitten en de lezer ook niet, maar voor de essayist is het lastig.

Claus weigert zich in zijn poëzie vast te leggen. Hij heeft haast en voelt er weinig voor om zijn rijmen in alle rust te laten rijpen. Hij stuurt ze, terwijl ze 'nog wat staan te gapen', alvast het huis uit, want hij 'wil niet wachten/ tot hun tenen koud zijn'. Hij zegt vaak twee of meer dingen tegelijk; veel van zijn gedichten zijn dubbelgedichten, waarvan de ene helft in dialoog is met (of commentaar levert op of weerlegging is van) de andere helft. Hij is een dichter die altijd aan zijn gedichten en reeksen blijft schaven, combineren, omwerken en verzelfstandigen. En bovenal is hij een dichter die graag de spot drijft, met alles en iedereen, inclusief zichzelf.

Hij heeft als geen ander oog voor verlies en nederlaag, ontluistering en verlopen pretenties, maar nergens wordt hij cynisch. Zijn neiging tot relativeren gaat vergezeld van niets minder dan liefde en mededogen - en dat maakt de persoon achter deze wezenloze poëzie tot zo'n innemende: hij is superieur, maar ook sympathiek.

'In de staatsiekast van mijn knoken/ kraakt er iets dat raar is,' schrijft de oude dichter ergens, midden in de reeks 'In het midden'. Wat is dat krakende rare? 'Het zal wel weer liefde zijn,/ dat pesterig kind dat molleblind/ van alles zegt dat ik moet noteren/ als gaf het mijn leven zin.'

Er zijn weinig dichters die zo chagrijnig over hun muze spreken en zo lichtzinnig over hun zogenaamde dichterlijke opdracht. Claus spreekt niet over 'poëzie', maar over 'van alles dat ik moet noteren'. En waarom noteert hij braaf al die dingen? 'Als gaf het mijn leven zin.'

Alles wat Claus zo nodig moet noteren zal te vinden zijn in zijn Gedichten, 1948-1993 die op 20 april verschijnen. Het wordt volgens de uitgeverij een 'kloek, chic en indrukwekkend' boek van ruim 1200 pagina's, een 'monument' in dundruk. Drukproeven waren nog niet beschikbaar omdat de dichter nog volop aan het herschikken, uitbreiden, samenvoegen en herschrijven was, tot aan zijn vroegste gedichten toe. Daardoor wordt zelfs zo'n grafzerkeditie bij voorbaat al enigszins gerelativeerd. Claus is de dichter van 'vers van de lever-verzen', de ware gelegenheidsdichter en de ware experimenteel ineen.

Wat is het beste gedicht van Hugo Claus? Zijn laatste. De uitgeverij liet de aankondiging vergezeld gaan van het ongebundelde gedicht 'De verliefde krantelezer'. Het verscheen eerder in De Morgen, als onderdeel van een reeks die bedoeld was voor lezers die nooit een gedicht lezen. We zien de krantelezer de koppen lezen en hij kan niet anders dan ze opvatten als commentaren op zijn liefde, want zo gaat dat als je verliefd bent. Staat er 'Een kwart miljoen werklozen loeien', dan vraagt hij zich meteen af: 'omdat ze onze liefde zien groeien?' En zo gaat de dialoog tussen volle krant en overvol hart nog even door:

Marechaussee beklimt dak

van moskee

(omdat ik Arabisch met je vree?)

Beleg in obligaties zonder grenzen

Liefde bedoomde je contactlenzen

Belgische elektriciteit de duurste

van de planeet

Zodat ik jou bij kaarslicht eet

Was er al wel eens eerder een dichter die het bedomen van de contactlenzen van de liefste bezong? Spreektaal en literaire taal, zakelijke tekst en dweperige tekst, royaal gebaar en aandacht voor detail staan hier naast elkaar. Met groot gemak worden hier de grootste verbindingen gelegd: tussen rijmelarij en hartstocht, wereldnieuws en liefde, geilheid en humor. En, in de laatste regel, tussen seks en zuinigheid.

    • Guus Middag