De prijs van een fout

DE OPHEFFING VAN het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland / Utrecht (IRT) was een janboel.

Kantoorpolitiek, bureaucratische machtsspelletjes en manipulatie domineerden de operatie. Verantwoordelijk gedrag was ver te zoeken. Aldus concludeert de commissie-Wierenga in een helder en opzienbarend onderzoek. Geconcludeerd wordt ook dat de opheffing weinig van doen had met vermoedens van corruptie. Die vermoedens werden eerder geuit, maar zij blijken bovenal onderdeel van het achterklap-circuit dat door de dubieuze opheffing van het IRT alle ruimte werd geboden.

Wie is verantwoordelijk en wat moet er gebeuren?

Met zwaar publicitair geschut is deze vraag gisteren te lijf gegaan. Eerst door de minister-president en de minister van binnenlandse zaken, toen door de Amsterdamse achterwacht en ten slotte nog weer door commissie-voorzitter Wierenga zelf. Wat deze laatste betreft, hij ging in het kiese rollenspel wel erg ver door zich met de politieke consequenties te bemoeien. Wierenga was aangezocht om de feiten te ordenen, voor politieke consequenties zijn weer anderen verantwoordelijk.

PREMIER LUBBERS schaarde zich gisterochtend onmiddellijk achter de verantwoordelijke figuren. Er waren fouten gemaakt, maar ze waren niet fout geweest, aldus de premier in een terminologie die het thema meteen naar een religieus en moreel - en daarmee ongrijpbaar - plan tilt. Want wat is 'fout' en wie van de stervelingen vermag zoiets te beoordelen?

Het thema is echter trivialer van aard. Is de kwestie van voldoende gewicht om politieke consequenties te trekken en zo ja, welke?

Het aftreden van ministers is niet zelden een staatsrechtelijk gefundeerd zoenoffer. De ministeriële verantwoordelijkheid komt ermee tot uitdrukking en de gescheiden verantwoordelijkheden van uitvoerende en wetgevende macht worden daarmee herbevestigd. Bovendien stuurt het een schokgolf door het ambtelijke apparaat en dat kan verfrissend zijn voor alle betrokkenen. Ambtelijke gezagsdragers worden zich weer van verantwoordelijkheid en reikwijdte van hun handelen bewust.

De politieke verantwoordelijkheid in de IRT-affaire ligt duidelijk: de ministers van justitie en van binnenlandse zaken en hun directe ondergeschikten, dat wil zeggen de procureur-generaal en de burgemeester, dragen de politieke en de eerst-afgeleide verantwoordelijkheid. De overigen zijn ondergeschikten en voor zover zij een grotere rol spelen - zie de hoofdcommissarissen - is er iets mis. De minister van justitie heet Hirsch Ballin, de minister van binnenlandse zaken is overleden, de burgemeester heet Van Thijn en de procureur-generaal Van Randwijck. Als de overige medespelers een te grote rol hebben gespeeld dan lag dat aan hun superieuren, zoals gezegd. Zo overzichtelijk was het dus en wie aan politieke en ambtelijke consequenties denkt, hoeft dus niet ingewikkeld te doen.

TEMEER NIET, omdat het niet om een kleinigheid gaat. Bestrijding van de zware criminaliteit is een belangrijk thema en de politiek heeft de laatste jaren geen misverstand laten bestaan over de waarde die zij eraan toekent. Er zijn middelen voor uitgetrokken en regels voor veranderd. Zoveel feitelijke slordigheid is dan ontoelaatbaar. Aftreden van verantwoordelijke figuren is een dramatisch gebaar met een kans op reinigende werking. Aftreden heeft, met andere woorden, niets te maken met de vraag of iemand fout is geweest maar alles met de vraag of de urgentie van de zaak politieke consequenties vergt.

Allicht is er een andere kant van de zaak, namelijk dat het allemaal verdraaid slecht uitkomt. Zo vlak vóór de verkiezingen twee centrale bewindslieden aan de kant zetten van twee toch al aangeslagen politieke partijen, dat wenst geen welwillend staatsburger een politieke partij toe. Het gaat bovendien om twee figuren van statuur, gezag en integriteit, die een beter lot hebben verdiend.

Maar anderzijds, politieke en staatsrechtelijke zuiverheid vergt soms een harde prijs. Over het gewicht van de zaak zelf, een adequate bestrijding van ernstige criminaliteit, verschilt niemand van mening. Met de bezwering 'wel fouten, maar niet fout' is de minister-president er bij het debat in de Tweede Kamer nog niet.