De ideeele reclame van Dennis Adams; Gemaakt voor het stadsoog

De Amerikaanse kunstenaar Dennis Adams wil ons collectieve politieke geheugen opfrissen. En dus hangt hij op bushaltes in Münster foto's op van de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie en in New York van het echtpaar Rosenberg, zoals nu te zien is op een tentoonstelling van zijn werk in Antwerpen. Maar zijn openbare ruimtes als bushaltes en urinoirs wel geschikte plaatsen voor contemplatie?

Trans/Actions, een tentoonstelling van Dennis Adams. T/m 28 mei in het Museum voor Hedendaagse Kunst MUKHA, Leuvenstraat 32 te Antwerpen. Dagelijks van 10 tot 17 uur behalve maandag en 1 mei. Catalogus verschijnt nog.

Alles is advertentie - dat zou het onbedoelde motto kunnen zijn van de 'bushalte-kunst' die de Amerikaan Dennis Adams nu in Antwerpen exposeert. Adams doet in zijn werk een beroep op de ervaring die bewoners van grote steden kennen: de meeste beelden die je om je heen ziet, zijn bedoeld om iets aan te prijzen. Zo zijn de transparante tram- en bushokjes die de laatste jaren in ons land verschenen, speciaal ontworpen om de Publex advertentie-bakken te schragen.

Nu de halte niet langer naar urine stinkt of vol ligt met afval, heeft de wachtende in deze licht en lucht doorlatende abri's misschien weer oog voor zijn omgeving. Dennis Adams (Iowa 1948) toont in zijn expositie Trans/Actions in het Antwerpse museum voor hedendaagse kunst MUKHA vooral zijn ontwerpen voor wachthokjes van het openbaar vervoer in onder meer New York, Toronto en Münster. In deze functionele architectuur verwerkt hij fotografie en een enkele keer summiere tekst. De grote foto's zijn steeds in een lichtbak gevat, vergelijkbaar met de Publex-borden bij ons. De gebouwtjes staan er tijdelijk en zijn bedoeld als een beeldend commentaar op de geschiedenis van de betreffende stad.

Adams benut openbare ruimtes als bushaltes, urinoirs en kiosken, plekken dus waar de stadsmens gewoonlijk met reclamebeelden en -slogans wordt geconfronteerd, om beelden uit de massamedia te exposeren die ons 'collectieve geheugenverlies' over bekende politieke onderwerpen compenseren. Hij vervangt commerciële door ideële reclame, zou je kunnen zeggen. Adams schuwt daarbij beladen onderwerpen niet. In Münster plaatste hij een foto van de oorlogsmisdadiger en nazi Klaus Barbie en diens verdediger Jacques Verges in een lichtbak tegen zijn bushalte. In Toronto verscheen een friesvormige, levensgrote foto van Indianen die in Ottawa demonstreren tegen discriminatie. In New York was de dramatische foto te zien van de arrestatie van het echtpaar Rosenberg, dat door McCarthy in de jaren vijftig werd beschuldigd van communistische activiteiten en zonder overtuigend bewijs op de elektrische stoel is gestorven.

Adams noemt deze beeltenissen 'media-iconen'. Volgens hem zijn het beelden die in de geschiedenis van elk land voorkomen, maar die men probeert weg te moffelen omdat ze beladen zijn met schuld. Het effect van Adams' ingrepen in de stad kunnen we in het museum uiteraard niet ondergaan. Terwijl zes jaar geleden in de Amsterdamse stichting De Appel wel een wachthokje was opgesteld, moeten we het in Antwerpen doen met maquettes van de uitgevoerde of geplande bushaltes, en met een paar van Adams' autonome sculpturen.

Wachten

Adams' architectuur-van-het-wachten is gebaseerd op de gangbare transparante bouwsels van glas en staal. Hij varieert daarop door bijvoorbeeld een driehoekige plattegrond te ontwerpen, zodat de wachtende min of meer wordt omhuld door de beelden, terwijl de vervreemdende, onpersoonlijke en licht onbehaaglijke sfeer onveranderd blijft. Wie in zo'n doorkijk-hokje staat, voelt zich bekeken en dat geldt zeker voor vrouwen. De vraag is of dit soort 'stadsmeubilair' de geschikte plaats is om een moment van bezinning te creëren dat noodzakelijk is om Adams' beelden op je in te laten werken.

Denken we eigenlijk wel iets bij de publex-berichten die via de reclamebakken tot ons komen? De gemiddelde gebruiker staat - het bankje in het hokje biedt maar een zitplaats aan enkelen - en wacht. De blik zal meestal gericht zijn op de bus of tram die ons, liefst zo snel mogelijk, moet vervoeren. We hebben dus haast, en werpen niet meer dan een vluchtige blik op de 'ik mis je'-hartjes voor Valentijnsdag of de tampon-reclame of het merk herenkleding. Als we langer kijken, is dat eerder uit verveling dan uit interesse.

Voor reclame-boodschappen is dat niet erg: ze zijn toegesneden op die schampende blik, het bericht kan in één oogopslag meestal wel 'gelezen' worden. De beeldingrediënten zijn meestal snel herkenbaar en anders is er een korte slogan die alles in één klap duidelijk maakt. Geldt dat ook voor Dennis Adams' 'iconen'? Amerikanen die voor de oorlog zijn geboren en erna weleens kranten lazen, kunnen het echtpaar Rosenberg, of het gezicht van de gevreesde McCarthy die in een andere busshelter opduikt, waarschijnlijk wel thuisbrengen. Voor hen is één blik misschien voldoende. Maar flitst zo'n beeld alleen even op uit hun geheugen of denken ze ook na over waar het naar verwijst?

Adams zelf is niet erg duidelijk over zijn bedoelingen met de kijker. Soms maakt hij zijn media-foto's opzettelijk onduidelijk. In Münster is de beeltenis van de advocaat Verges bijvoorbeeld groot afgedrukt maar wordt het gezicht van Barbie gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door een balk, waardoor de noodzakelijke identificatie wordt bemoeilijkt.

In Antwerpen heeft de Amerikaan vorige week een lichtbak geplaatst in een bestaand urinoir op de hoek van de Amerikalei en de Kasteelstraat. Het is niet goed te vergelijken met de werking van een bushalte, omdat urinoirs slechts door de helft van de bevolking worden bezocht. Een rode lichtbak, opgehangen achter de rug van plassende bezoekers, dompelt het urinoir in een rossige gloed. In de lichtbak zit een foto van een omgekeerd bierglas met, eveneens op zijn kop, de door Adams aan de reclame toegevoegde tekst 'kerk keuken kinderen'. Ik vrees dat de meeste mannen denken dat hier een bierreclame hangt - lege blikjes bier dreven in de plasgoot - en als ze de tekst al lezen, verheldert die niet veel. Is dit een verwijzing naar de positie van de huisvrouw, die thuis op hen wacht? Is het een vermaning, of een toost?

Zappen

Dennis Adams situeert zijn kunst in de openbare ruimte omdat die 'van iedereen' is, maar hij raakt verstrikt in het gegeven dat die ruimte eigenlijk van niemand is. Dit soort openbare ruimtes is niet geschikt voor contemplatie, dus als je er een boodschap wilt verspreiden moet je dat snel en efficiënt doen, en met maximale duidelijkheid. Anders zapt het stadsoog weer verder naar een van de vele andere indrukken die het voortdurend belagen. De beste beelden van Adams zijn zo bezien de meest eendimensionale, en dat is voor de kunst niet zo interessant. Hij ontkomt niet aan de paradox iets te moeten afficheren terwijl hij waarschijnlijk juist wil nuanceren. Adams mikt op een gevoel van onbehagen met zijn aanklaag-kunst. Schuld, daar lust de betere gesitueerde westerling wel pap van, maar het effect van Adams' aanpak is noodzakelijkerwijs hetzelfde als dat van de reclamebeelden die gewoonlijk op die plaatsen hangen: het verplicht tot niets. Dan is de serie met kolossale portretten van zwervers die hij vijf jaar geleden voor een New Yorkse expositie maakte, in elk geval aangrijpender. Juist de ontroering die toch ook hoort bij het zien van onrecht, ontbreekt meestal in zijn werk.

Ironisch genoeg verschijnen Dennis Adams' bushaltes in het stadsbeeld op een moment dat de reclamewereld het engagement heeft ontdekt (de Benetton-reclames met een aids-patiënt en de bebloede kleren van een slachtoffer uit Joegoslavische burgeroorlog), terwijl de samenleving zijn belangstelling voor politieke actie verloren lijkt te hebben.

    • Renée Steenbergen