Amoerpanters

In het bar Siberisch bergland

Aan de oevers der Amoer

Leefde een familie panters:

Vader, moeder, zus en broer.

Vader Amoerpanter werkte

Bij het openbaar vervoer;

Maar nooit dacht hij aan iets anders

Dan alleen aan de Amoer.

Moeder panter hangt de was op

Aan de lijnen in de koer;

Maar met haar gedachten wijlt zij

Toch alleen bij de Amoer.

Zie hoe jachtig en hoe prachtig

Sprak het zusje tot haar broer

Ach, hoe nietig zijn wij panters!

En hoe machtig de Amoer!

‘s Winters is zij dichtgevroren

Als een spiegelende vloer;

Maar al in het voorjaar ruist zij

‘s Zomers bruist zij, de Amoer.

Merk hoe de nevelige oorsprong

De verbeelding strekt tot voer:

Daar wonen, schijnt het, nevelpanters

Aan de bronnen der Amoer.

’t Donk’re water stroomt naar zee toe

Nimmer komt het ooit retour.

O, de geheimen die zij meevoert

En nimmer prijsgeeft, de Amoer.

Broertje, in de buitenwereld

Ligt de waanzin op de loer;

Want wij zijn van kop tot voeten

Ingesteld op de Amoer.

Ja, het waren Amoerpanters

Fraai gevlekt en fier en stoer

En zij kenden van de wereld

Slechts de bedding der Amoer.