Als mensen aldoor hetzelfde zeggen dan liegen ze; Het nobele geknutsel van een kleine rederijker

“Ik mag alles. Maar ik vind wel dat dat wat duister is en complex, niet een al te starre vorm moet hebben.” Hugo Claus over een van zijn 1800 gedichten.

Hugo Claus: De Sporen. 1993 Uitg. De Bezige Bij, 92 blz. Prijs ƒ 49,50.

Het gedicht 'Soms zie je het Kasteel van de Liefde' komt uit een reeks die 'Steeds' heet. Wat is dat voor reeks?

“Het waren oorspronkelijk twaalf gedichten, waarvan er nu nog negen over zijn. Ze zijn gemaakt bij een serie tekeningen van de schilder Albert Pepermans. Op de ene tekening heeft hij een stedelijk landschap - vandaar de titel 'Steeds' - met zwarte inkt op wit papier getekend, op de andere zie je telkens hetzelfde beeld in zijn tegendeel verkeren in witte inkt op zwart papier. De opdracht was om in gedichten een pendant te maken. Ik ben een kleine rederijker en dol op dit soort spelletjes. Ik verstop vaak van alles in mijn gedichten, een acrostichon, de letters van de naam van mijn geliefde. Die kan niemand ooit meer terugvinden, ook die geliefde niet.

Ik schreef twaalf gedichten met elk een tegenhanger, waarin regels, woorden, klanken en begrippen uit 1 weer terugkeerden in 1a maar op een andere plaats of veranderd. Een onnozel spel met klanken en begrippen, maar dat is toch ook een definitie van poëzie. Later vond ik de tegenstelling tussen 1 en 1a toch te voor de hand liggend, een gedicht moet niet één pendant hebben maar duizenden, in zichzelf. Dus ik ben als censor opgetreden en heb steeds van twee gedichten een gemaakt. De kortere cyclus die uiteindelijk in de bundel staat is de derde versie, waarin het ongemak en de last van de vorige versies zijn samengevat.'

Hoe bepaalt u of een gedicht af is?

“Ik heb nooit het gevoel een volmaakt gedicht te hebben geschreven. Ik blijf veranderen, ook nu, voor de uitgave van mijn verzamelde gedichten. Ik verander gewoon weer in gedichten die ik heb geschreven toen ik vijfentwintig was. Niet met de seniele zelfgenoegzaamheid van de dichter die ik nu ben, ik heb geen adjectief toegevoegd dat niet paste. Sommige woorden horen bij een andere tijd, daar moet je niet de demiurg van nu in los laten. Maar ik wil dat mijn gedichten er bij staan als mooie, goede, speelse gedichten, zoals ik dat nú vind.

Misschien had ik van deze reeks gedichten niet nog een derde versie moeten schrijven. Van alle gedichten die ik ooit geschreven heb, en daar zijn heel wat maniëristische bij, staan die uit deze reeks het dichtst bij geknutsel. Nobel geknutsel.'

U bent misschien een rederijker, maar u vindt, zo te zien, niet dat een gedicht aan strakke vormeisen moet voldoen. U mag van uzelf best een regel schrijven van één woord - 'verwachten' - omdat u een enjambement wilt creëren.

“Ik mag alles. Maar ik vind wel dat dat wat duister is en complex, wat deze reeks is, niet een al te starre vorm moet hebben. Als je iets in alexandrijnen schrijft leg je er een extra harnas op voor de lezer, als het toch al hermetisch is kun je het beter los houden. Dichters die maar in één vorm dichten, proberen een stijl te hebben, dat vind ik een van de armoedigste kanten van de menselijke natuur. Er is zo veel veelvormigs aanwezig, waarom zou je dat steeds weer reduceren tot één stijlmalletje? Net of je alle dagen alleen maar patat mag eten. Je moet natuurlijk wèl bij elke gelegenheid de passende stijl vinden. Datgene waar je mee bezig bent, dicteert de vorm. Die kan zodoende steeds wisselen.”

Kiest u de woorden op klankassociatie, zoals hier 'onverklaarbaar' en een regel verder 'onverstaanbaar'?

“Ja, dat is een kwestie van de echo opvangen en weer terugkaatsen. Ik kan hier in deze reeks alleen iets formuleren als ik het tegenovergestelde indachtig ben. Dat stoeien met de echo zou ik me nooit permitteren in de Nenia's, de lijkdichten, die ook in de bundel staan, dat zou al te onbeschaamd zijn. In deze gedichten is een koketterie aanwezig met de onwaarachtigheid. Dit is helemaal niet 'echt' of 'authentiek'. Dat zijn begrippen die meer in huiselijke ruzies thuishoren: 'Je hebt me bedrogen!”'

Laten we naar het gedicht zelf kijken. Wat is 'het Kasteel van de Liefde'?

“In de pre-barok had je in Frankrijk het begrip 'Le pays de tendre'. Dat was een land waarin je bijvoorbeeld het Meer van de Strelingen kon aantreffen, de Hut van de Stilte, de Knotwilg van de Tederheid - dat begint op een gedicht van de vijftigers te lijken hè? Maar daar is het zo'n beetje een verwijzing naar, de liefde vastgelegd in plaatsen en dingen.

En als we dat kasteel nu eens even weglaten, dan gaat het in de eerste strofe over de liefde en wat die zou moeten zijn: de een complementair aan de ander, 'weerschijn', 'splitsing', allemaal verdubbelingen.'

Waarom moet die weerschijn nu juist in een poel zijn, met alle associaties van donker en modderig en ondiep?

“In het donkere van een poel is de weerschijn veel mooier. Een poel, ja, daar stijgt af en toe een moerassig belletje op, het ruikt er naar dood - mijn palet neigt naar het zwart. De mooie klaterende beek associeer ik meer met een vrolijke voetbalploeg die op zondag gaat zwemmen.”

Wij zijn 'onverstaanbaar naakt'. Wat is er onverstaanbaar?

“In deze strofe komen allerlei sensaties van de liefde voor, 'grillig' bij voorbeeld en 'welig'. Als je iemand streelt, de heupen, de billen, dat is welig en onverklaarbaar, daar komt de ratio niet aan te pas, dat is de wellust die zich aan de rede onttrekt. Bij de liefde moet je naakt zijn - enfin een kleine jarretel mag altijd - maar in grote lijnen naakt. Tegenover dat naakt, dat trouwens ook het naakt is van geboorte en dood, staat de dichter/minnaar radeloos en redeloos.”

Wat wordt er gered als er een verschijning wordt gered?

“De verschijning is het geheel, het Kasteel van de Liefde en zijn weerschijn. Verschijning is een sterker woord dan weerschijn, misschien omdat de w zwakker is dan de v. Slap uitgesproken wordt verschijning vanzelf weerschijn. Dat zijn fenomenen om rekening mee te houden. Ik zit wel wat te klepperen, maar het is niet oninteressant.”

De redding duurt maar één tel. Wij komen maar één tel overeen met wat wij verwachtten. Wat verwachtten wij?

“Er is even de verwachting geweest, misschien op een woensdagmorgen in omhelzing op het kussen, dat wij kunnen ontkomen aan het algemeen bederf, aan de redenering waar in de eerste strofe sprake van was, aan de verstening. Dat is een romantische veronderstelling. Wij zien onszelf overeind in het water, dus niet kapseizend, niet zinkend. Je denkt bij 'overeind' misschien ook aan een erectie, dat speelt op de achtergrond mee. In dat geval zou, dat is wel een beetje gewaagde veronderstelling maar goed, 'nooit gedempt' op de vagina kunnen slaan. Maar, zoals gezegd, dat is de achtergrond, 'overeind' slaat hier op beide geliefden. Wij durfden hopen dat het water nooit gedempt zou worden zodat dit afgelopen zou zijn, maar ook dat wij nooit gedempt zouden worden.”

En toch is het dan 'gelukkig' dat het luchtkasteel de lucht in gaat.

“Omdat het toch een ellende is, laten we wel wezen. Het is mischien schamper, maar het gevoel bestaat dat er nu een soort ideale ruimte is ontstaan waar je niet gekweld wordt door al die ellende om de ander. Tot dan toe was het toch een vrij roekeloze onderneming, nu staan wij weer op veilige voeten. We zijn gehalveerd, voor de tweede maal staat daar 'gelukkig' - dat wordt dus echt benadrukt, bijna of iemand zichzelf wil overtuigen. Als mensen aldoor hetzelfde zeggen dan liegen ze, let maar op. Tegenover dat losgemaakte, de twee helften, staat dan weer de schoorvoetende dood - je ziet hem langzaam naderbij komen.”

Er lijkt toch wel een zekere opgewekte aanvaarding van deze gang van zaken verwoord te worden.

“Je egoïsme verdraagt niet veel Kastelen van de Liefde, misschien drie in een mensenleven. Het is niet melancholisch, nee, we kunnen ermee leven dat het Kasteel van de Liefde een hersenschim is. Hoe meer ik erover nadenk hoe banaler ik het vind. Zo'n schampere visie, verpakt in zo'n mooi muziekje.”

Uit: Hugo Claus, De Sporen

Soms zie je het Kasteel van de Liefde

als weerschijn in een poel

als gril en geklater, als gewillige splitsing

onverklaarbaar welig

en zoals wij in die zwarte rimpeling

onverstaanbaar naakt.

De verschijning wordt gered, één tel

als waar ervaren

als wij overeenkomen met wat wij durfden

verwachten

overeind in dat water, nooit gedempt.

Gelukkig gaat het de lucht in, ons luchtkasteel

vaarwel, en laat het ons achter

op veilige voeten scharrelend

beiden gelukkig gehalveerd en beiden weer

in de geur van de schoorvoetende dood.

    • Marjoleine de Vos