Zwart als inkt en ziedend heet; Delft in het teken van de koffie

Koffie is meer dan een toevallig drankje dat wordt gemaakt van koffiebonen. Koffie is altijd het excuus voor een praatje; het staat voor pauze op het werk, gezinsgeluk en sensualiteit. Van pepmiddel voor soefi's tot statussymbool op dameskransjes: de Werdegang van het bakkie troost.

Tentoonstellingen

Koffie in Nederland. 27 maart t/m 19 juni.

Volkenkundig Museum Nusantara, St. Agathaplein 4, Delft.

Stedelijk Museum Het Prinsenhof, St. Agathaplein 1, Delft.

Museum Lambert van Meerten, Oude Delft 199, Delft. Di t/m za 10-17u, zo- en feestdagen 13-17u. Inl 015-602357.

Boek: Koffie in Nederland, vier eeuwen cultuurgeschiedenis ƒ 39,50.

Cd 'Muziekcafé ƒ 9,95.

Koffie is - oh wacht, de fax begint te zoemen en er komt een bericht van het commerciële tv-station RTL4 tevoorschijn. Het eerste wat leesbaar wordt, is de kop: Koffietijd! Vanaf dinsdag 5 april, zo staat er verder, presenteren Hans van Willigenburg (ex-KRO) en Mireille Bekooij (ex-TROS) elke werkdag tussen tien en elf uur een nieuw ochtendprogramma onder de vermelde titel, gericht op “de eigentijdse vrouw die een uur lang geïnformeerd wordt over zaken die haar interesseren”. Het programma behelst adviezen op het gebied van relaties, opvoeding, gezondheid, recepten en uitgaan. En: “In elke aflevering is een bekende Nederlander de koffiegast.”

Koffie is, wilde ik zeggen, meer dan een toevallige vloeistof die wordt ontleend aan de bonen van de Coffea-plant. Koffie staat bijvoorbeeld voor een onderbreking in de ochtenduren, die bij voorkeur wordt gebruikt om bij te praten over de televisie van de vorige avond, de krant van die ochtend of de weersgesteldheid die zich door de kantoorruiten aan de werkende mensheid opdringt. Het daadwerkelijke kopje koffie dat daarbij hoort, wordt doorgaans gedachteloos geconsumeerd. Vroeger, toen er nog koffiedames bestonden, werd er hooguit een opmerking gemaakt over het tijdstip waarop het kopje werd neergezet (een minuut eerder of later dan gisteren). Nu zegt iemand nog wel eens iets over de kwaliteit van de koffie-automaat. Maar in het algemeen wordt tijdens de koffietijd aan de koffie zelf slechts weinig aandacht besteed. Ze is niet meer dan het excuus voor conversatie. Koffietijd impliceert dus ook gezelschap, al was het maar het gezelschap van de televisie. Wie alleen is, heeft geen koffietijd.

Een andere associatie is verweven met de suggestie “samen eens een kop koffie te drinken”. Ook hier gaat het niet om het gezamenlijk genieten van een al of niet pittig brouwsel, maar om datgene wat erdoor wordt geïmpliceerd. Bijvoorbeeld een stoutmoedig plan dat nodig eens moet worden doorgepraat, of een aanstaande reorganisatie die nog niet officieel een reorganisatie mag heten - en dus ook nog geen onderwerp van een formele vergadering met een echte agenda mag zijn. De uitnodiging samen een kop koffie te drinken kan zelfs een veelbelovende lading hebben; misschien hangt er promotie in de lucht. Maar het kan ook de eerste stap zijn van een chef die een ondergeschikte tot een hogere produktie wenst te brengen of zelfs wil suggereren dat de arme drommel maar eens naar ander werk moet uitzien. Zo kan de geïnviteerde, als het geen zuivere koffie is, nog lelijk op de koffie komen.

In het algemeen heeft het woord koffie echter overwegend positieve connotaties. Het staat voor warmte, opwekking en genoeglijkheid. “Het kwam en zag en overwon / toen hier zijn zegetocht begon / want uit de landen van den Oost / bereikte ons de drank der troost,” zong de operette-vocalist Bert van Dongen in 1934 op een reclamegrammofoonplaat voor Van Nelle - en zo is het.

Nederland consumeert per dag 60 miljoen kopjes koffie, melden de organisatoren van het intermuseale evenement Koffie in Nederland, dat vanaf zondag drie maanden lang in drie Delftse musea zal woeden. Daarmee vormen wij, na de Scandinavische landen, de grootste koffieverbruikers ter wereld. Niet voor niets is het thema dermate veelomvattend dat dit de eerste keer is dat het Volkenkundig Museum Nusantara, het Stedelijk Museum Het Prinsenhof en het Museum Lambert van Meerten gedrieën onder één noemer te vinden zijn. Nooit eerder is zoiets gelukt. Maar met de koffie kon het: Nusantara belicht de koffieplantages, Het Prinsenhof stalt de geschiedenis uit van de Nederlandse koffieconsumptie en bij Van Meerten wordt hedendaagse koffiekeramiek geëxposeerd. Daarnaast verschijnen er een gelijknamig boek - informatief en onderhoudend - en zelfs een cd met “de beste internationale koffiemuziek”.

Het boek bevestigt wat Van Dongen zong: de koffie kwam uit “de landen van den Oost”. Het woord koffie komt van het Arabische kwaha en dat zou verwijzen naar de Abessijnse streek Kaffa, waar de koffiestruik in het wild voorkwam. De oorsprong van de vloeistof ligt daarentegen in Jemen, nu - o bittere ironie - slachtoffer van een structureel gebrek aan helder water, maar in de vijftiende eeuw de bakermat van de koffieconsumptie. Men kookte er toen nog de hele bes van de struik, inclusief het vruchtvlees en de pit (de koffieboon), hetgeen een zoetig goedje opleverde dat door de auteurs wordt vergeleken met warme Coca Cola. Het was volgens een uit 1582 daterend reisverslag van de Duitse arts en botanicus Leonart Rauwulf een “goed drank (-) die schier so swart is als inkt en in de gebreekene van de maag zeer gezond en dienstig is”. En het werd voornamelijk in gezelschap genuttigd, in speciale koffiehuizen die ook wel als broeinesten van opstandigheid werden aangeduid.

Er was toen evenwel nog niemand die op de gedachte kwam het spul naar Europa te importeren. Ook een halve eeuw later nog niet, toen er toch al regelmatig werd gepubliceerd over “gelukkigh Arabië” waar de inwoners het drankje “ziedend heet al slurpende” naar binnen goten. Pas in de loop van de zeventiende eeuw zag men de eerste koffieladingen hier arriveren - aanvankelijk nog alleen bedoeld voor apothekers, die over de opwekkende werking hadden gelezen. In de Jemenitische koffiehuizen gold de koffie immers onder meer als pepmiddel voor de soefi's die nachtenlang wakker moesten blijven om te bidden en te dansen. Het was een waar wondermiddel, volgens de Alkmaarse arts Cornelis Bontekoe: het bevorderde “de appetiet”, het was een probaat middel voor de mondhygiëne en het vormde een uitstekend medicijn tegen “dolligheyd, geraecktheid, beroertheydt, lamheyd, vallende ziekte” en tal van andere ongesteldheden (ja, ook die).

De medicinale toepassing maakte al snel plaats voor algemeen gebruik. In een geschrift uit 1686 verbaasde de Amsterdamse arts Stephanus Blankaert zich over de snelle acceptatie. Nauwelijks twintig jaar eerder had bijna niemand er nog van gehoord: “Maar nu is die drank soo gemeen geworden, dat men de Coffi-huizen tot Amsterdam soo vol van menschen siet dat se gepropt zijn.”

Ook hier begon de zegetocht dus in de koffiehuizen, vooral nadat de VOC erin slaagde de lastige handel met de Arabische landen te omzeilen door koffieplantjes naar Java te brengen en daar in cultuur te brengen. De aanvoer van 'Javaansche coffy' kwam na 1711 op gang en een jaar later gingen ook de kolonisten in Suriname ermee experimenteren. Het eerste Europese koffiehuis werd geopend in Venetië, daarop volgden Oxford, Londen en Parijs. De eerste vermelding van een Nederlands koffiehuis is uit 1670, toen een etablissement aan de Hofcingel in Den Haag kort en klein werd geslagen omdat er vanwege het late uur geen koffie meer werd geschonken.

Het koffiehuis was trendy en gedijde aanvankelijk dus vooral in studentensteden. Ook de omgeving van een beurs vormde een goede locatie. De koffiebonen hingen er in een zak aan de muur en werden in een vijzel fijngestampt. Het gloeiend hete water, op temperatuur gehouden op een rechaud, werd er in het kopje opgeschonken - het procédé van de oploskoffie, die in Nederland als inferieur wordt beschouwd, maar in een land als Groot-Brittannië helaas vrijwel overal als normale koffie wordt geserveerd. Eén horeca-onderneming, het Gekroond Coffyhuys in de Kalverstraat te Amsterdam, kon zelfs bogen op een koffiespuitende fontein in de zaak.

Zo populair werden de koffiehuizen, dat de Staten van Holland in 1699 overwogen ze te verbieden. De mensen werden er immers maar “luy en leedig” van. Maar al binnen enkele jaren kwam de politiek, zoals te doen gebruikelijk, tot de conclusie dat er een veel betere oplossing was: belasting heffen. En zo geschiedde.

Gaandeweg gingen echter ook steeds meer bierhuizen over tot het schenken van koffie, zodat het onderscheid tussen café en koffiehuis verflauwde. In het Noord-Zuidhollands Koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam, één van de weinige etablissementen waar het woord koffiehuis nog op de gevel staat, serveert men thans borrelgarnituren, gebakken schol, uitsmijters en - overigens in een aparte ruimte - toeristische adviezen. En de coffeeshop van tegenwoordig heeft, zo lang er althans geen hennepbladeren op de etalage zijn afgebeeld, nauwelijks meer de sociale functie van het vroegere koffiehuis.

Bovendien groeide in de loop van de achttiende eeuw ook het thuisverbruik. Voor de gastheren en -vrouwen in hun deftige koopmanswoningen vormde de nieuwerwetse drank een voortreffelijke gelegenheid om niet alleen te pronken met nieuwe aanwinsten in de schilderijenverzameling en de snuisterijencollectie, maar ook met de nieuw verworven porseleinen kopjes en kannen. De koffie als statussymbool. De vrouwen, die in de koffiehuizen vanzelfsprekend onwelkom waren, konden nu ook meedoen. Hun koffiekransjes, waarmee ze volgens sommige mannen “de gehele dag bedorven”, groeiden uit tot een geliefde bezigheid voor dames van stand. Beter dat zij koffie dronken dan bier, want daar werd je volgens Justus van Effen in 1754 “als de Moffen en Moffinnen maar dik” van.

In het thuisverbruik groeide de Hollandse traditie van het gezellige kopje koffie in de familiekring. Decennia lang is dat beeld ook uitgedragen in de reclame - eerst door Van Nelle, die de markt in het Interbellum rijp maakte voor de voorverpakte koffie (“De beste Koffie zit in pakjes. Dit is een waarheid als een koe”), en daarna, mede door de spaarpunten met de aantrekkelijke cadeaus, door Douwe Egberts. Met als onbetwist hoogtepunt het in 1968 geconcipieerde reclamethema “En dan is er koffie... Douwe Egberts koffie, lekkere koffie.” De begeleidende advertenties en reclamespotjes straalden de bijbehorende huiselijkheid zo effectief uit dat ze zelfs een door de wol geverfde filmrecensent “in een staat van ontroering over een geïdealiseerd gezinsleven” brachten.

Toen de koffiebrander in 1983 een andere reclamekoers koos, plengde menigeen dan ook hete tranen over de teloorgang van één van de bekendste reclamecampagnes van het land. Sindsdien is met het blote oog een veelzeggende verschuiving in de koffiereclame waar te nemen: voetje voor voetje schuifelen de reclamemakers weg uit de sfeer van de huiselijke warmte en de bruine druppel die zo verlekkerd in het bruine vocht valt, en in plaats daarvan komt heel voorzichtig de sensualiteit in beeld van koffiebruine meisjes op blote voeten, die bij de klanken van een panfluit door roestbruin belichte straatjes lopen. En die van jeugdige types op zonovergoten balkonnetjes die elkaar boven hun instant-espresso veelbetekenende blikken toezenden.

De koffie is intussen ook onderwerp geweest van heftige maatschappelijke debatten. Eerst in de vorige eeuw, toen Multatuli de koffiemakelaars aan de schandpaal nagelde, en daarna in de jaren zeventig, toen de Nederlandse koffiefabrikanten plechtig moesten beloven geen bonen meer te betrekken uit de uitgebuite Portugese kolonie Angola. Sindsdien is het, dank zij de Max Havelaar-koffie, zelfs mogelijk om de koffietijd geëngageerd door te brengen. Maar denk niet in Delft veel over Angola en over Max Havelaar te vernemen. De hoofdsponsor van Koffie in Nederland is Douwe Egberts. Het moet wel gezellig blijven.

    • Henk van Gelder