Zonder Schengen of steun van buurlanden rest alleen nationale noodsprong; Chronisch Europees onvermogen

Het verenigde Europa rafelt verder. Het Verdrag van Maastricht had, voortbouwend op de totstandkoming van de interne markt, de grootste stap vooruit moeten zijn sinds de goedkeuring van het Verdrag van Rome in 1957. Maar 'Maastricht' doet uiteindelijk vooral denken aan gatenkaas. De ingrijpende uitzonderingsclausules, bedoeld om de geleverde zware tegenstand van enkele landen te overwinnen, roepen die associatie op. Politici als Kohl en Lubbers zijn geprezen omdat zij de Maastrichtse conferentie over de nodige hordes hebben geleid. Maar het resultaat heeft latere valpartijen niet kunnen voorkomen. De uitbreiding van de Unie dreigt nu de zoveelste te worden.

Het verdrag werd gered, maar ten koste van veel ongerief in zo uiteenlopende hoofdsteden als Kopenhagen, Londen, Parijs en Bonn. Hier een referendum, daar een partijrebellie of een zorgelijke constitutionele toetsing ontnamen het feest zijn glans. Ten slotte leidde de ineenstorting-in-fasen van Europa's monetaire samenwerking naar een tijdrovende onderbreking van de Europese eenwording. Maar het leed blijkt nog niet geleden.

Al het moois van de Europese integratie heeft zich doorgaans aan het oog van de gemiddelde burger onttrokken. Dat had te maken met het bureaucratische karakter van de eenwording - in betrekkelijk korte tijd, praktisch binnen één generatie, moest deze gestalte krijgen en daarbij konden niet te veel pottekijkers worden gebruikt. Anderzijds waren de effecten van de integratie te diffuus dan dat de burger ze in zijn capaciteit van consument, belastingbetaler of gesubsidieerde als zodanig heeft ervaren. Betrekkelijk kleine categorieën ondernemers daargelaten. Maar zij traden pas in de publiciteit toen de jarenlang op hen neergedaalde weldadige Europese dauw in ijzel was overgegaan.

Er moest dus iets spectaculairs worden verzonnen om de Europese burger te confronteren met de ingrijpende institutionele vooruitgang in zijn deel van de wereld. Dat moest de openstelling van de Europese grenzen worden. Als de binnenmarkt per 1 januari 1993, na een worsteling van 35 jaar, dan toch echt een feit was geworden en de grenscontrole op het goederenvervoer werd beëindigd, kon tegelijkertijd ook de verwezenlijking van het vrije verkeer van personen met het vertrek van de laatste grensbeambte zichtbaar worden gemaakt. In het aan de vastgelegde datum voorafgaande jaar werden al flink wat grensposten opgeheven. Zeker de slecht bedeelde Nederlander ervoer een ruimtelijk bepaalde euforie.

Met de nieuwe vrijheid kwam ook het nieuwe ongemak. De criminaliteit, de handel in drugs, wapens en vrouwen, had al een voorschot op de Europese integratie genomen, maar het wegvallen van de grenzen oefende een extra aanzuigende werking op die verschijnselen uit. Hetzelfde gold voor de migratie, de toestroom van vreemdelingen, van illegalen zowel als vluchtelingen. Nu het indammen van de onzichtbare migratie op een mislukking is uitgelopen, richten de autoriteiten zich met een vergrote inspanning op de zichtbare. Het is tenslotte eenvoudiger het tastbare te bestrijden. En wie ongeruste kiezers wil geruststellen, moet met tastbare resultaten komen. De Duitsers hebben met hun concept van versnelde terugzending van vluchtelingen naar zogenoemde veilige landen laten zien hoe dat in zijn werk gaat.

In het verenigde Europa worden de open grenzen nu weer snel ongedaan gemaakt. Grenscontroles worden opnieuw ingesteld, zij het, met het oog op de eerder gemaakte afspraken, bij wijze van steekproef aan de slagboom en verder vooral in de omgeving daarvan. Frankrijk is als eerste begonnen met het loslaten van zogenoemde 'vliegende brigades': overigens teneinde het lucratieve drugstoerisme naar het libertijnse Nederland zoveel mogelijk de pas af te snijden.

Lidstaten van de Europese Unie blijken met het grootste gemak naar het instrument van de grensbewaking te grijpen om de hun onwelgevallige grensoverschrijdingen te bestrijden. En zij breken daarmee een zichtbaar stukje Europese eenwording af. Een net met wijde mazen is tenslotte ook een net.

Ter verklaring voeren de betrokken autoriteiten aan dat het Verdrag van Schengen nog niet uitvoerbaar is. Dat verdrag moest de ongewenste maar onvermijdelijke gevolgen van 'open grenzen' regelen. Het is gesloten door een deel van de Unie-landen en het is in optimistischere tijden wel beschouwd als een voorbeeld tot navolging. Inmiddels blijkt het bijbehorende computersysteem onhanteerbaar. Bij nader inzien komt dat de regeringen om allerlei redenen niet slecht uit. Zo tijdelijk als voorgesteld zullen de vliegende brigades dan ook vermoedelijk niet zijn.

De grote migratiestromen naar West-Europa zijn slechts te beheersen met een Europese aanpak. Grensbewaking als een beperkte nationale voorziening vormt dan ook een noodoplossing. De eerste aanvulling daarop zal overleg moeten zijn met Duitsland, het doorreisland bij uitstek. Maar in de confrontatie met Bonn dreigt zeker Den Haag aan het kortste eind te zullen trekken. De Duitsers menen hun eigen problemen nu eindelijk redelijk onder de knie te hebben. Ze tonen weinig behoefte om het kleine Nederland dat op het hoogtepunt van de Duitse moeilijkheden zich bovendien muisstil heeft gehouden, nu terwille te zijn.

In wezen past de Nederlandse regering met het uitzenden van vliegende brigades het beginsel van de subsidiariteit toe, de in 'Maastricht' opgenomen 'achteruit' in de versnellingsbak van de Europese eenwording. Volgens dat beginsel moet de Unie niet doen wat de lidstaten zelf kunnen doen. In de praktijk blijkt dat iets anders te moeten worden gelezen: de lidstaten moeten soms wel doen wat de Unie laat liggen. Als ook een tussenstation als 'Schengen' niet functioneert en als zelfs met de onmiddellijke buurlanden niets valt te regelen, rest niets anders dan een nationale noodsprong. Maar die is dan toch wel de consequentie van chronisch Europees onvermogen.

    • J.H. Sampiemon