Wraak van het klootjesvolk?

Het blijft Den Haag en omstreken bezighouden. Wat heeft de kiezer tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van begin deze maand bezield? En, nog belangrijker, wat zal hem straks over zes weken bezielen? De peilingen wijzen er vooralsnog op dat de kiezer na 2 maart de smaak pas echt goed te pakken heeft gekregen. CDA en PvdA zijn in een verbeten strijd verwikkeld om wie het eerst de grens passeert van twintig zetels verlies, wie had dat drie maanden geleden kunnen denken?

Er is de afgelopen weken al heel wat geanalyseerd over het gedrag van de kiezer, zonder dat dè analyse is gepresenteerd. Dat zegt eigenlijk al genoeg. Was er maar één aanwijsbare reden voor het wispelturige stemgedrag van de kiezer. Voor zover er sprake is van gemeenschappelijkheid, is dat te plaatsen onder de noemer ongenoegen en onbehagen. Maar aangezien die twee begrippen door iedereen op een geheel eigen wijze kunnen worden ingevuld, kan de geprangde politicus maar weinig met die wetenschap. Goed, hij moet meer luisteren. Altijd nuttig, zij het dat dit vier jaar geleden ook de remedie was die overigens toen al een flink déjà-vu stempel droeg.

De wijken in, de luiken open, de kiezer opgezocht, in alle toonaarden is het dichten van de kloof tussen Den Haag en de rest van het land reeds bezongen. En zelfs meer dan dat, want politici zijn de afgelopen jaren daadwerkelijk het land ingetrokken. Dat leverde dan kolderieke plaatjes op van prominent-politicus-in-gesprek-met-wijkbewoner, omsingeld door minimaal twee cameraploegen, en een horde fotografen. Het verwijt aan 'de' politiek is niet zozeer dat er niet geluisterd wordt, maar dat er niet geleverd wordt. Althans niet wat er is besteld. De oorzaak voor die wanprestatie is een simpele: de winkel in Den Haag kampt met schaarste. Dat verklaart direct ook de staat van verdoving waarin politici van de nu zo onder vuur liggende regeringspartijen verkeren. Zolang Aziatische groeicijfers aan West-Europa voorbijgaan, is de oplossing niet in zicht. Want, zoals de jaren zestig en zeventig hebben laten zien, met geld en voorzieningen valt ongenoegen en onbehagen heel goed af te kopen. Maar is dit het hele verhaal?

Eén van origineelste observaties bij de uitslag van de raadsverkiezingen kwam twee weken geleden van minister Van Thijn van binnenlandse zaken, tijdens een toespraak voor het genootschap van hoofdredacteuren. Hij interpreteerde de uitslag als “een revolte van de ouderen”, te vergelijken met de jongerenopstand in de jaren zestig. “De ouderen voelen zich bedreigd, ontheemd, in de steek gelaten. Ze hebben die gevoelens met radicaal stemgedrag tot uitdrukking gebracht”, aldus Van Thijn volgens het verslag van die bijeenkomst in het dagblad Trouw. Het verschil tussen nu en de roerige jaren zestig was volgens Van Thijn dat toen de veranderingsgezinde jongeren tegen de oudere generatie rebelleerden en nu de ouderen rebelleren tegen de jongeren van toen. “In het jargon van die jaren zou je kunnen zeggen: het klootjesvolk slaat terug”, aldus Van Thijn. “Toen was de rebellie gericht tegen de saaiheid van de consumptiemaatschappij, de rebellie van nu op het behoud daarvan. Law and order waren toen een vloek, de veiligheid op straat is nu inzet van de verkiezingen.”

Zo aardig als de vergelijking is, op zoveel punten gaat zij mank. Als de ouderen iets vragen, is het niet het behoud van de consumptiemaatschappij, maar juist het behoud van hun deel van de verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat die onder druk van de revolutiejaren zodanig is uitgebouwd, dat deze een probleem op zichzelf is geworden. Het law en order vraagstuk van toen dat Van Thijn noemde was ook van een geheel andere orde dan nu omdat het criminaliteitsprobleem zoals ouderen dat thans ervaren in die tijd eenvoudigweg niet bestond.

Volgens Van Thijn hebben de kiezers met hun stemgedrag een paradoxale situatie laten ontstaan. Want in plaats van de zozeer begeerde rust en stabiliteit ontstaat er door de grote fluctuaties instabiliteit en onbestuurbaarheid. Maar willen de kiezers wel rust? Veel eerder kan gezegd worden dat de kiezers willen dat er 'iets' gebeurt. Dat 'iets' brengt de politici vervolgens in de problemen, aangezien iedere kiezer daarbij weer zijn eigen wensenlijst legt.

De angst van Van Thijn is een typische bestuurdersangst en illustratief voor bijna alle politici. Niet de enorme vertrouwensbreuk die met de kiezer is opgetreden baart hen zorgen, maar de bestuurbaarheid van het land. Of, minder eufemistisch gesteld: hoe blijven we aan de macht? De meest gestelde vraag in de welbekende Haagse wandelgangen is niet wat de kiezer wil, maar wat de voorspelde verkiezingsuitslag voor toekomstige coalitievorming kan betekenen. Dan komt de echte paradox om de hoek kijken. Want ook al raken beide regeringspartijen meer dan eenderde van hun aanhang kwijt en kijken ze straks aan tegen een historisch verlies, dan nog is de kans aanzienlijk dat ze gewoon blijven doorregeren. Alleen zullen beide partijen enkele ministersposten moeten afstaan aan een derde partij.

De 'revolte' van de jaren zestig leidde bij de Kamerverkiezingen van 1967 ertoe dat de PvdA zes zetels verloor, de KVP acht zetels moest inleveren en de VVD er één won. De grote winnaars waren nieuwkomer D'66 dat uit het niets met zeven zetels in de Tweede Kamer kwam, en de Boerenpartij die vier jaar eerder onder leiding van 'Boer Koekoek' haar intrede had gedaan. De kiezer keerde zich af van de traditionele partijen, luidde ook toen de analyse. Maar wat de kiezer enkele maanden later terugkreeg was het kabinet-De Jong gevormd door diezelfde traditionele partijen. Een kabinet dat bovendien, ondanks alle maatschappelijke onrust, de volle termijn zou uitzitten.

Zal het straks weer zo verlopen? Veel hangt af van de stressbestendigheid van de verliezers. Het zijn tegenwoordig niet de minsten in het CDA die binnenskamers pleiten voor een oppositieperiode, om dan maar via die - voor christen-democraten unieke - weg aan electoraal herstel te werken. Bij de PvdA is de stemming juist alles behalve oppositie. Aan de bal blijven en tegelijk vernieuwen is daar het devies. Vernieuwing die tot stand kan worden gebracht door een hergroepering van progressieve partijen. Het geweten van de partij van Jan Pronk heeft zich daar meer dan eens voor uitgesproken en deze week meldde oud PvdA-Kamerlid en de tegenwoordige hoofddirecteur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten Klaas de Vries zich openlijk aan voor een comité dat daar iets aan gaat doen.

Oppositie, partijfusies, het zijn beproefde methoden. Alleen lossen ze het huidige dilemma van de traditionele partijen niet op. Onbehagen en ongenoegen worden er niet mee weggenomen. Het is zelfs de vraag of beginselpartijen dat nog wel kunnen. Steeds meer kiezers laten immers blijken geen behoefte te hebben aan beginselen. Zet die tendens zich door dan zitten de betrokken partijen echt in problemen. Dan gaat het namelijk om het bestaansrecht.