Pleidooi voor Dereguleringskamer

Het huidige gebrek aan dynamiek van de Nederlandse economie wordt vooral in de hand gewerkt door het gebrekkige inzicht in de kosten en baten van overheidsregulering. Dit stelt dr. Kees Koedijk in de inaugurele rede die hij vandaag uitsprak als hoogleraar financiële economie aan de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht. Om deze kosten en baten beter zichtbaar te maken, bepleit hij de oprichting van een Rekenkamer voor Deregulering. Hieronder volgen enkele passages uit zijn rede.

Regeringen die de blokkades van belangengroepen in hun economieën aanpakken, hebben daarvoor niet alleen een flinke dosis politieke moed nodig, maar ook informatie. Goede informatie over structurele veranderingen en vooral over deregulering bestaat uit kwantificering van de kosten en opbrengsten van overheidsingrijpen. Bovendien dient deze informatievoorziening onafhankelijk te zijn van de politiek. Een Rekenkamer voor Deregulering zou een belangrijke instelling kunnen zijn om politici en publieke opinie te motiveren om de verstarring van de economie aan te pakken. Een dergelijk instituut kan tevens helpen bij het op gang brengen van een systematische analyse van de effecten van overheidsregelgeving.

Als opdracht kan aan het instituut worden meegegeven om via analyses en eventueel vergelijkende landenstudies rigiditeiten in de Nederlandse economie in kaart te brengen, de effecten ervan te kwantificeren en waar mogelijk alternatieven aan te dragen.

Het oprichten van een Rekenkamer voor Deregulering langs de hierboven geschetste lijnen zou een aanvulling kunnen zijn op het reeds bestaande werk van de Algemene Rekenkamer. Deze instelling verricht al bijna 180 jaar onderzoek naar de ontvangsten en uitgaven van het Rijk. Naast rechtmatigheidscontrole, verricht de Algemene Rekenkamer ook doelmatigheids- of efficiency-controles van de Rijksuitgaven en -inkomsten.

Een Rekenkamer voor Deregulering zou een versterking kunnen zijn van de doelmatigheidscontrole. Haar takenpakket zou echter belangrijk verder kunnen gaan dan alleen het functioneren van het Rijk en zou ook analyses kunnen omvatten van andere sectoren van de economie. Een verschil met de Algemene Rekenkamer zou voorts kunnen zijn dat de Rekenkamer voor Deregulering wat betreft haar werkzaamheden dichter bij de politieke besluitvorming zou staan, en een grotere vrijheid zou hebben om alternatieven aan te dragen voor bestaande situaties.

In het voorstel voor de Rekenkamer voor Deregulering zijn vooral de politieke onafhankelijkheid en de veranderde beleidsvoorbereiding van groot belang. Goede en relevante informatie over de korte en lange termijn effecten van (de)regulering is een noodzakelijke voorwaarde voor politici om bij economische hervormingen voldoende publieke steun te kunnen vinden. De kwaliteit van de informatievoorziening staat of valt met de betrouwbaarheid, en daarmee met de onafhankelijkheid van de politiek.

De resultaten die geboekt zijn in de politiek-economische literatuur geven aan dat het beoordelen van regulering moet gebeuren door een instantie die politiek onafhankelijk is. Belangengroepen zullen immers politieke druk uitoefenen tegen elke mogelijke aantasting van hun gevestigde belang. Politieke onafhankelijkheid zal het mogelijk maken hieraan te ontsnappen.

Het belang van politieke onafhankelijkheid bij de beoordeling van overheidsregulering wordt goed geïllustreerd door een vergelijking tussen de discussie over de wenselijkheid van overheidsregulering in de jaren negentig met de discussie over inflatie in de jaren zeventig. Na de oliecrisis in 1973 nam wereldwijd de inflatie toe. Eind jaren zeventig bedroeg de inflatie in de meeste westerse landen meer dan 10 procent op jaarbasis. In het begin van de jaren tachtig werd er wereldwijd een belangrijk deflatieproces doorgevoerd met als gevolg dat de inflatie snel daalde naar 2 à 3 procent. De ervaringen leerden dat het inflatieproces alleen kan worden beheerst als de groei van de geldhoeveelheid beheerst wordt. Dit blijkt het best te lukken indien de centrale bank, de toezichthouder op de ontwikkeling van de geldhoeveelheid, zoveel mogelijk los van de politiek kan opereren. Een onafhankelijke centrale bank is immers het best bestand tegen de druk van belangengroeperingen die de economie via monetaire middelen uit het economischje dal willen stimuleren.

Ook in historisch opzicht is het verschil in ontwikkeling tussen het denken over inflatie en het denken over regulering opvallend. Op het monetaire vlak zijn we inmiddels tot het inzicht gekomen dat de maatschappij op lange termijn erbij gebaat is dat De Nederlandsche Bank zoveel mogelijk onafhankelijk is van de politiek, dat zij een volwaardige taak op monetair terrein heeft. Op regulerings- en dereguleringsvlak is het denken nog niet zover en vervult de president van de Algemene Rekenkamer nog geen vergelijkbare rol als die de president van De Nederlandsche Bank op monetair gebied heeft.

Voor een analyse van starheden in de economie is een goede beleidsondersteuning en beleidsvoorbereiding nodig. Traditioneel heeft de beleidsvoorbereiding in Nederland een hoog macro- en modellengehalte. Bekend zij in dit opzicht de econometrische modellen van het Centraal Planbureau. Bij de ontwikkeling van de huidige klasse van jaargangmodellen van het Centraal Planbureau vormde de ontwikkeling van de loonvoet per werknemer het centrale element. Alles dat in deze modellen zorgt voor een gematigde ontwikkeling van de loonkosten, is goed voor de werkgelegenheid.

Loonkostenmatiging vormt dan ook het centrale thema in de beleidsaanbevelingen van het Centraal Planbureau. Allerlei andere elementen die voor de lange-termijnontwikkeling van een economie van belang zijn, zoals de mate van regulering, de mate van subsidiëring en de marginale belastingdruk, zijn niet of onvoldoende in deze modellen verwerkt en krijgen dus onvoldoende aandacht in de beleidsaanbevelingen.

Voor een grondige analyse van deregulering zijn dan ook meer micro-economische analyses gewenst. Dergelijke micro-analyses kunnen zowel kwalitatief als kwantitatief van aard zijn. In het buitenland worden de voorbeelden van kwantitatieve micro-analyses van overheidsbeleid en deregulering talrijker. Daarbij wordt dan aangegeven wat de welvaartswinst is voor consumenten, producenten en de samenleving als geheel.

Niet altijd valt er met micro-analyses alleen voldoende te zeggen over de effecten van deregulering. In die gevallen kan een blik over de grens uitkomst bieden. Relevant zijn bijvoorbeeld de experimenten met het introduceren van een grotere dynamiek in het overheidsmanagement in Nieuw-Zeeland. Deze vernieuwing heeft inmiddels zijn vruchten afgeworpen: in een recent overzicht van World Economic Forum met betrekking tot de kwaliteit van de overheid bekleedde Nieuw-Zeeland de eerste plaats van in totaal 22 besproken westerse landen.

    • Kees Koedijk