Ouderen leren veel slechter maar drijven lang op hun routine

Lichamelijke achteruitgang bij ouderen verloopt grillig. Sommige organen bereiken bij iedereen de kritische grens, maar de achteruitgang van hersenfuncties, gezichtsvermogen of gehoor zijn sterk individueel bepaald.

Onduidelijk is of het psychologisch functioneren op alle terreinen even groot blijft. In Nederland zijn de grote onderzoeken daarnaar nog bezig. De Duitse psychologen Jacqui Smith en Paul Baltes (Ageing and Society, Vol. 13, pag. 551-587) beschrijven een eerste resultaat op dit gebied bij personen met een zeer hoge leeftijd. Bij een onderzoek in Berlijn werden 360 ouderen in de leeftijd van 70 tot 103 jaar uitgebreid onderzocht op hun verstandelijk, sociaal en persoonlijk functioneren.

Het intellectueel niveau werd bepaald met behulp van een test, waarvoor de ouderen zich een nieuwe vaardigheid eigen moesten maken. De vragen konden dus niet beantwoord worden met behulp van reeds aanwezige kennis. Het ging de onderzoekers vooral om de zogenaamde fluïde intelligentie, ofwel het vermogen nieuwe dingen te leren. Het blijkt dat dit onderdeel van de intelligentie na het zeventigste levensjaar sterk daalt. De alleroudsten presteren zestig procent slechter dan de jongsten. Het opvallendst zijn echter de grote individuele verschillen. Zo presteerde één vrouw van 103 jaar een stuk beter dan de gemiddelde zeventiger.

Ook op het gebied van het persoonlijk functioneren zijn de individuele verschillen groot. De tevredenheid met de eigen levensloop en veroudering daalt lichtjes met het klimmen der jaren. De sekseverschillen zijn hier opvallend. Oudere mannen zijn tevredener en minder geagiteerd dan vrouwen. Op het terrein van het sociale functioneren wordt bij de zeer ouden geen grote achteruitgang gezien. De alleroudsten noemen slechts weinig minder medemensen met wie zij veel omgaan en met wie zij zich nauw verbonden voelen. Gecombineerd met het feit dat ouderen toch steeds meer leeftijdsgenoten zien wegvallen, spoort dit met het idee dat sociaal actieve ouderen langer blijven leven.

Psychologische veroudering verloopt op de verschillende deelterreinen van functioneren tot op grote hoogte onafhankelijk van elkaar, concluderen de onderzoekers. Ze beschrijven verschillende verouderingstypen, bijvoorbeeld het 'tevreden-grootmoeder-type', dat een laag niveau van verstandelijk functioneren combineert met prettige sociale contacten en een hoog welbevinden. Daarnaast stellen ze de jongere kinderloze weduwe, die verstandelijk nog bij de pinken is, maar die ongelukkiger en eenzamer is.

    • Ad Bergsma